In tijden dat er voor vrouwen iets te bevechten valt, staat er een nieuwe generatie vrouwelijke auteurs op. Dat was zo in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw, in de jaren ’50, denk aan Hella S. Haasse, Anna Blaman en Nel Noordzij en ook in de jaren ’70 en ’80, met onder andere Hannes Meinkema, Anja Meulenbelt en Ethel Portnoy. Volgens Lisa Kuitert, hoogleraar boekwetenschappen, vormen schrijfsters van een bepaalde generatie een groep die elkaar onderling stimuleren.

Bij de golf vrouwelijke auteurs van nu behoren bijvoorbeeld Simone van Saarloos, Nina Polak, Roos van Rijswijk, Ellen Deckwitz, Alma Matijsen, Niña Weijers, Hanna Bervoets Bregje Hofstede en Lize Spit. Bij de uitreiking van literaire prijzen is dit goed te merken. De afgelopen vijf keer dat de Anton Wachter werd uitgereikt ging de prijs vier keer naar een vrouw, daarvoor was Tessa de Loo de vorige vrouwelijke winnaar, in 1984.

Vrouwen schrijven over andere thema’s en vanuit andere perspectieven dan mannen. Nina Polak zegt hierover dat er lange tijd een cultuur geheerst heeft waarin mannen ongestraft conservatieve en machistische boeken hebben kunnen schrijven. Vrouwen schrijven volgens haar niet perse beter, maar door hun positie schrijven ze wel met een soort drive, engagement en een bepaalde energie die hun werk relevant en bezield maakt.

Connie Palmen fungeert voor deze generatie schrijfsters als een rolmodel. Niet alleen qua werk, maar ook in haar vrouw-zijn. Al zijn de jonge vrouwelijke auteurs meer uitgesproken in wat ze schrijven, meer feministisch en soms zelf activistischer dan Palmen. De vraag is, wordt het hogere aantal jonge vrouwelijke auteurs van nu verklaard door de kwaliteit van hun boeken, de soort romans die ze schrijven, hun feministische opvattingen of gewoon omdat er voor het eerst in de geschiedenis meer hoogopgeleide jonge vrouwen zijn dan mannen?

Geschreven door Marieke op 18-04-2017.