Het hoge woord moet er onderhand eens uit: ik lijd aan een ernstige afwijking. Ik ben verzot op wat de Fransen de roman-fleuve noemen.
Voor wie zijn Frans niet heeft bijgehouden: de term slaat niet op een roman die over een rivier gaat, maar op een langere serie romans die het wel en wee van een individu en zijn omgeving (familie, collega’s, gelieven, tegenstrevers, sociale klassen) gedurende langere tijd volgen, als een rivier die zich, nu eens liefelijk vliedend, dan weer onstuimig bruisend, door het landschap slingert, om zich uiteindelijk in een zee of oceaan te storten.
Het Nederlands kent een paar voorbeelden (Vestdijk, Voskuil, A.F.Th. van der Heijden). ik vind dat ik het daarover niet mag hebben, omdat ik de werken in kwestie niet goed ken. Dit werpt de vraag op of ik de boeken die ik bij de kop neem, wel gelezen heb. Het antwoord is ja (met enkele kleine kanttekeningen).
Vandaag over de Engelse afdeling. Natuurlijk denkt men dan terstond aan Anthony Trollope (1815-1882), concreet over zijn Barchester Novels (vijf pillen en een korter eerste deel) en zijn Palliser Novels (zes kloeke banden). De eerste gelden het kerkelijke milieu, de tweede de politiek, inzonderheid het parlement. Heerlijke lectuur! De auteur beschouwde zelf The Last Chronicle of Barset (nummer 6) als zijn beste roman en daar zit wat in.
Wat een schilderachtige kerel overigens, deze Trollope! Hij stond op vóór het krieken van de rozenvingerige dageraad en schreef van half 6 tot half 9 proza, met vóór hem zijn horloge, opdat hij kon nagaan of hij wel de voorgenomen 250 woorden per kwartier haalde. Geen wonder dat hij 47 romans, een autobiografie, verschillende levensbeschrijvingen, reisverhalen en een stoot kortere bellettrie heeft nagelaten. Geen wonder ook dat bij een dergelijk ijzeren tucht niet alles van hoge kwaliteit was; hetgeen hij zelf donders goed in de gaten had en waarover hij ook openhartig was. Zijn vurige passie was de vossenjacht en zijn hoogste ambitie het lidmaatschap van het Lagerhuis; hij heeft ook ooit, als Liberal, kandidaat gestaan, maar legde het af tegen zijn Tory–rivaal; wiens campagneploeg het echter zo bont had gemaakt, in de vorm van steekpenningen en gratis zuippartijen, dat het district zijn vertegenwoordiging in het House of Commons werd afgenomen. Trollope was lange jaren een vooraanstaand ambtenaar van de posterijen; hij gaat door voor de uitvinder van de brievenbus.
En dan is daar John Galsworthy (1867-1933) en zijn epos over het geslacht Forsyte: drie trilogieën met vier ‘tussenspelen’. Veel critici hebben over hem bij voorkeur meewarige snaren betokkeld: wel aardig wat de kerel schrijft maar toch niet de Hogere Literatuur. Er valt echter wat te zeggen voor de stelling dat een auteur die een interessant verhaal vertelt in verzorgde stijl, hoog aangeschreven mag worden; zo dacht althans het comité voor de Nobelprijzen erover, dat Galsworthy in 1932 lauwerde. Ik heb hem altijd sympathiek gevonden. Onder meer in zijn toneelstukken (die bijzonder populair waren) heeft hij het krachtig opgenomen voor de hervorming van het onmenselijke gevangenisregime, de gelijkberechtiging van vrouw en man, dierenwelzijn en de vrijheid van meningsuiting.

A Dance to the Music of Time van Anthony Powell (1905-2000) staat vast in de traditie van de Engelse Schone Letteren. Intelligentie, eruditie, onderkoelde humor en ironie die zich uit talrijke poriën baan breekt (wat voor mij nog altijd een bewijs is dat de schrijver het menselijk gefriemel beschouwt sub specie aeternitatis, onder het oogpunt van de eeuwigheid). Ik heb de 12 delen van deze roman-fleuve (waarvan sommige figuren je eeuwig bijblijven) onlangs via Boekwinkeltjes van de hand gedaan en dat betreur ik nog elke dag.

Geschreven door Grijsaard Henk op 15-03-2017.