Een vorst wilde voor zijn noenmaal een gebraden, lekker sappige kraanvogel. Zijn kok, afgebeuld, uitgebuit, rammelend van de honger, kon de verleiding niet weerstaan, draaide het gare dier letterlijk een poot uit en schrokte het vlees naar binnen. De vorst was natuurlijk des duivels. Maar de kok liep naar het venster en wees op de vijver in het slotpark; daar stonden ze te dromen: een fikse vlucht kraanvogels, allemaal op één poot. ‘Kijk maar, sire,’ zei de kok, ‘ze hebben er maar één.’ Waarop de vorst het raam openstiet en hard in zijn handen klapte. Geschrokken vlogen de vogels op: allemaal met twee poten. ‘Had u aan tafel ook moeten doen,’ zei de kok, ‘dan had dat beest zijn tweede poot uitgestoken.’
Ziedaar een korte weergave van een kostelijk kort verhaal. Voor deze letterkundige familie heb ik altijd een bijzondere liefde gekoesterd. Hoeveel van die specimina zou ik wel hebben gelezen? Tweehonderd? Op zijn minst. Driehonderd? Sluit ik niet uit. Ik heb ze verafgood, de grootmeesters: Edgar Allan Poe, Anton Pavlovitsj Tsjechov, William Somerset Maugham, Guy de Maupassant. Het vat amontillado, De dame met het hondje, Mr Know-All, Boule de suif — eenmaal ontmoet, blijven ze je vergezellen tot je laatste snik.
Toch zet het korte verhaal me regelmatig aan het piekeren. Wat is hier kort? Volgens de encyclopedie langer dan een anekdote en niet  zo lang als een novelle. Dank u, nu weet ik nog niets! Want waar ligt het kantelpunt? Niemand die dat kan bepalen. Het wordt nog moeilijker, als je over de grens kijkt. Menig prozastuk van Maupassant en Luigi Pirandello dat bij ons voor kort verhaal doorgaat, staat bij hen als novelle te boek en niet als conte of racconto. Alle korte verhalen in de Decamerone heten steevast novella.
En wat moet men onder ‘verhaal’  verstaan? Ik verwacht altijd een pointe, een clou. Maar dat blijkt geborneerd, want de meeste zogenaamde korte verhalen moeten het zonder stellen. Vooral de mindere goden nemen hun toevlucht tot het geschreven portret, de natuurimpressie, het genrestukje, de conversatie, het psychologisch stemmingsbeeld of iets van dien aard. Mijnenvelden! Je moet donders goed kunnen schrijven, wil je er niet een voet of een been verliezen. Wat heb ik me dikwijls verveeld met een zogenaamd kort verhaal dat de ene onbenulligheid aan de andere rijgt: een kerel (uiteraard ongeschoren) zit in een havencafé (uiteraard smoezelig) een pilsje te drinken, met hoekige gebaren drukt hij een peuk uit, hij vraagt de kroegbaas (uiteraard pokdalig), die met zijn handen achter zijn billen leunt tegen een houten schot (uiteraard verveloos), of er nog nieuws van Sjaak is, veegt het bierschuim uit zijn (uiteraard rafelige) snor en neemt tot besluit de veerpont naar het eiland.
(Een kinderboekenschrijfster heeft het probleem kordaat opgelost, door een verzameling vertellingen voor volwassenen af te scheiden die worden aangeprezen als ‘erotisch’; zo noemt men dat tegenwoordig; vroeger heette zoiets gewoon porno).
Terecht stelt Kay Boyle in het voorwoord tot haar bundel The White Horses of Vienna: ‘… short stories.. a most difficult kind of fiction… Many short stories disappoint because they are threadbare in content. They are gone in a gulp.’  Zelfs gerenommeerde auteurs die ermee worstelen, leggen het af.  The Heat of the Day van Elizabeth Bowen behoort tot de beste romans  die ik ooit heb gelezen, maar van haar bundel The Demon Lover kon alleen het titelverhaal me boeien; van de rest droop veelal de saaiheid  af. Siegfried Lenz heeft het meesterlijke Deutschstunde op zijn naam staan, maar in het titelverhaal uit Einstein überquert die Elbe bei Hamburg heeft hij zo subtiel willen wezen dat er geen touw aan vast te knopen is.
Zo blijf ik dubben over het korte verhaal. Maar och, als de schone letteren ertoe leiden dat ik me vragen blijf stellen, heb ik geen recht om te klagen.

Geschreven door Grijsaard Henk op 15-04-2017.