Waarom worden auteurs die een aardig pijpje krijt hanteren, nog altijd graag gelezen en eindigen andere, wier pijpje minstens even knap is, in het vergeetboekje, nadat zij nauwelijks naar de eeuwige jachtvelden zijn verhuisd? Ik verbaas me daar vaak over; en kom er niet uit.
Een flink aantal jaren geleden zond het ZDF, het tweede Duitse televisiekanaal, een serie uit onder de titel Wat lezen wij? Het was de bedoeling dat kijksters en kijkers hun lievelingslectuur meldden. Als ik me goed herinner, rolde er een groslijst van 250 uit. Elke week werden de 50 minst genoemde geschrapt en, chapeau, zoiets doen de Duitsers prima. Een vooraanstaand criticus, elke week een andere, leverde een commentaar dat niet alleen wetenschappelijk verantwoord was, maar ook glashelder en prikkelend.
(Al deze figuren uitten zich in onberispelijke volzinnen, zoals trouwens hun politici en presentatoren plegen te doen; het leek wel of zij teksten van de stijlgigant Thomas Mann voordroegen. Wanneer je hen vergelijkt met hun Nederlandse evenknieën, vallen dezen als beklagenswaardige dilettanten door de mand.)
Het ZDF dus. Het uiteindelijke resultaat was een korte lijst van 10. Er was niets merkwaardigs aan. Ook niet in die zin dat er de onvermijdelijke verplichte nummers op voorkwamen, waarvan men zich mag afvragen of de aanbrengers ze echt gelezen hadden; voorbeeld: Ulysses van James Joyce.
Of ja, toch: wel bijzonder merkwaardig was dat Heinrich Böll, hoewel pas overleden in 1985, al heel vroeg afviel. Het is zelfs mogelijk dat hij op de groslijst ontbrak, maar dat herinner ik me eerlijk gezegd niet. Böll nota bene! Na de Tweede Wereldoorlog de stem van het nieuwe Duitsland. Het bewijs dat Duitsland zijn lesje geleerd had. Het lichtend voorbeeld voor een jeugd die vredelievendheid in haar vaandel schreef. En, nog los van dat alles, de schrijver van zo boeiende romans en korte verhalen. Onbegrijpelijk!
Gisteren las ik op een Franse site dat Henry de Montherlant niet veel meer gelezen werd. Bedoeld zal wel zijn: en ook  niet meer opgevoerd; de man heeft namelijk behalve een paar romans briljante toneelstukken geschreven.
Montherlant (1895-1972): ik lees hem met plezier. Les Célibataires uit 1934: wat een kostelijk boek over een stel adellijke sloebers en stoethaspels! En dan zijn beroemde-beruchte tetralogie Les Jeunes Filles. Bij de verschijning van de vier romans in 1935-1939 werden zij bejubeld door grote geesten als Stefan Zweig,  Romain Rolland, Louis Aragon, George Bernanos en André Malraux. Maar veel lezeressen, vooral van het feministisch geloof, maakten gehakt van hem met de wapens van kritiek, smaad en hoon. ‘Montherlant vrouwenhater’. Tien jaar later nog brak Simone de Beauvoir in Le Deuxième Sexe de staf over hem en niet zo zuinig ook.
Montherlant gaat er inderdaad met gestrekt been in. Romanman Pierre Costals behandelt vrouwen die smoorverliefd op hem zijn en hem overstelpen met amoureuze post, ronduit bot (als hij al zo beleefd is te antwoorden). Voor het meisje met wie hij na eindeloze trammelant trouwt, is hij niet de liefhebbende, tedere echtgenoot maar de egoïstische cynicus. En overal in de vier delen dalen zijn commentaren op de eigenaardigheden van vrouwen neer als geselstriemen.
Opmerkelijk is de uitleg die de auteur in 1952 fourneerde in een vraaggesprek op de Franse radio: ‘Ik heb in Les Jeunes Filles over de betrekkingen tussen man en vrouw wezenlijke waarheden geschreven, die trouwens zonneklaar zouden moeten zijn, als man en vrouw over en weer niet leefden in een ware Londense mist van vooroordelen en leugens.’ Hij noemde de tetralogie bij uitstek heilzaam en volgens hem waren het meestal vrouwen die hem hadden betuigd dat de boeken voor hen heilzaam waren geweest. Montherlant had, kortom, de vrouw willen neerzetten als gelijk aan de man en volgens hem leed het geen twijfel, of, als ooit een omwenteling in de zeden zou plaatsvinden, Les Jeunes Filles een factor van gewicht zou blijken.
Ook hier geldt, vind ik: je hoeft het er niet mee eens te zijn om het met belangstelling te lezen. Want schrijven kon hij, die ten onrechte vergeten verklaarde oude rakker!
– o –
In 1961 (over andere cijfers beschik ik niet) waren in Frankrijk van de courante uitgaven al 1.424.000 exemplaren afgezet en was de roman vertaald in 12 talen.
Voor wie wil speuren op Boekwinkeltjes: Les Jeunes Filles is de titel van zowel de tetralogie als deel 1. Deel 2: Pitié pour Les Femmes. Deel 3: Le Démon du Bien. Deel 4: Les Lépreuses.

Geschreven door Grijsaard Henk op 31-12-2016.