Op de boerderij van mijn ouders, gelegen letterlijk onder de rook van de voormalige Staatmijn Maurits, waren leesboeken in geen velden of wegen te bekennen. De Bijbel kenden we zelfs niet van buiten, we hadden er geen. Katholieker kon haast niet!

Mijn eerste leesboek (De Pelsjagers van de Rio Pecos) kreeg ik op mijn twaalfde als sinterklaascadeau van mijn negen jaar oudere zus. Een wereld ging voor mij open. Alle Winnetou-boeken van Karl May heb ik daarna in sneltrein vaart gelezen en herlezen. Het tweede leesboek dat ik mijn eigendom mocht noemen (Kees de Jongen, Theo Thijssen, 1932) kreeg ik enkele jaren later toen ik op drie-HBS zat, ook als sinterklaasverrassing maar nu van onze geschiedenisleraar die de schoolbibliotheek runde en die ik eenmaal per week tijdens de ochtendpauze hielp bij uitlenen en innemen van boeken.

Hoe anders was het met leerboeken. Leren was je dure plicht. Werken op de boerderij hoefde alleen tijdens de zomervakantie. Lezen was tijd verdoen, “daar is niets aan uit” (vernederlands Limburgs voor “daar valt niets mee te verdienen”) en was dus zonde van de tijd. Schoolboeken inclusief woordenboeken, atlassen en wat je verder nodig had voor school zoals voetbalschoenen, gymuitrusting werd zonder dralen aangeschaft, alles nieuw wel te verstaan want tweedehandsboeken werden gezien als ouwe rommel waarin anderen hadden zitten knoeien.

Bij mijn grootmoeder van moederskant, die bij ons inwoonde, kon ik weinig verkeerd doen. Dat ik goede rapporten had, vond ze vanzelfsprekend. Vaak vertelde ze vol trots dat haar priesterzoon, mijn heeroom dus, de zes jaar dat hij op het college (gymnasium) zat na elk trimester thuiskwam met de eerste prijs (beste van zijn klas) en de ereprijs (beste van de school). Anderzijds sprak mijn grootmoeder met een veelbetekenende blik regelmatig de gevleugelde woorden: “hoe geleerder, hoe verkeerder”. Ik nam dit alles voor kennisgeving aan en ging over tot de orde van de dag. Pas veel later, lang nadat mijn gootmoeder was overleden (zij werd 89), drongen het tot mij door dat haar enthousiasme over de hoge rapportcijfers contrasteerde met haar waarschuwende woorden. Ik kon haar niet meer om uitleg vragen; zou ik ook niet gedurfd hebben want ik vroeg mijn grootmoeder nooit iets en zij mij trouwens ook nooit!

Wat kon ze bedoeld hebben met “hoe geleerder, hoe verkeerder”. Snuisteren op internet leerde mij dat dit spreekwoord vooral in Doopsgezinde kringen nog te beluisteren valt, en zoveel betekent als kennis alleen is niet altijd voldoende. Het is onwaarschijnlijk dat mijn grootmoeder hier weet van had. Nog onwaarschijnlijker is dat zij, evenals ik tot voor kort, ooit had gehoord van de Maastrichtenaar Carolus Tuinman (1659-1728), Voetiaans dominee en neerlandicus, wiens zedenzang “De Slimste” aanvangt met de strofe “Hoe geleerder, hoe verkeerder, ondervind men menigmaal. En geen ketter, zonder letter, is een al te klare taal” (C. Tuinmans Zedenzangen, uitgegeven door Joh. Arnold Langerak, te Leiden in 1720).

Hoe mijn grootmoeder aan dit gezegde is gekomen, zal voor altijd  in raadselen gehuld blijven. Ik denk dat het gebruik ervan is ingegeven door de Bovenmoerdijkse geleerdheid die massaal neerstreek in Zuid-Limburg als gevolg van de komst van de Staatsmijn Maurits in 1928. De welvaart steeg maar er was vrees voor het verval der zeden waarvoor ook vanaf de preekstoel werd gewaarschuwd. De Maurits breidde uit, het boerenland (met de vruchtbare Löss) werd onteigend, boeren voelde zich bedrogen. Veel moest wijken voor de vooruitgang. Mijn grootmoeder, moeder, tantes, buurvrouwen spraken er schande van dat importvrouwen, wanneer hun mannen naar de mijn en hun kinderen naar school waren, niets anders deden dan met gelijkgezinden thee- en koffiedrinken, en in de zomer dagelijks urenlang spaarzaam gekleed op de tennis baan waren te vinden. Het summum van zedelijk verval was de invoering van gemengd zwemmen (aanvankelijk één middag in de week, een middag waarop het zwembad goede zaken deed!).

Het is weinig gedurfd om zonder gedegen onderzoek te stellen dat er bij de import Bovenmoerdijkers heel wat meer werd gelezen dan bij de autochtonen. Ras kwam er dan ook een openbare bibliotheek. Waar had ik anders de Karl May boeken die bij onze schoolbibliotheek nagenoeg ontbraken, vandaan moeten halen? Kopen van dit soort onnodige leesboeken viel thuis in de categorie geld verspillen; lenen mocht wel. Bijna alle schoolboeken van mijn klasgenoten uit de ingenieurswijk vielen in de categorie ouwe rommel maar bij hen thuis trof je kasten vol boeken aan.

Met kennis vergaren door léren uit boeken is niets mis. Lézen leert je dat het geleerde alleen niet altijd voldoende is. Ik sluit aan bij de Doopsgezinden.

De boekenhobbyist uit Utrecht

Geschreven door internetcolumnist op 29-05-2017.