Boekennieuws.

Nieuws, reportages en achtergronden uit de wereld van het boek

interview

De digitale verzameling van Ewoud Sanders

Bibliotheek op zakformaat

Door Ruben Molenaar

Ewoud Sanders kennen we van zijn column in het NRC. Hierin behandelt hij wekelijks een linguïstisch issue of eigenaardigheid. Maar waar komt de taalkennis waarmee hij zijn column vult vandaan? In zijn huis staan immers geen kasten met naslagwerken. Toch bezit hij meer dan 60.000 boeken. Waar bewaart hij die verzameling? Op een harde schijf van 5 bij 10 centimeter. Een bibliotheek op zakformaat.


Alle collecties kennen een begin. Sommige mensen worden in een oogwenk verliefd op een schrijver en beginnen fervent een bibliotheek aan te leggen, anderen erven een collectie en zetten een traditie voort. Iedere verzameling heeft zijn eigen verhaal. Zo ook de collectie van Sanders: ‘De “verzamelwoede” is niet van het ene op het andere moment ontstaan, maar geboren uit nieuwsgierigheid. Nieuwsgierigheid om te onderzoeken of wat er algemeen beweerd wordt wel klopt. Mensen praten elkaar maar na, zeggen of schrijven maar wat. Ik heb gewoon de neiging om dat niet klakkeloos aan te nemen. Dat was ook mijn drijfveer om journalist te worden. Als je dingen wilt uitzoeken kom je natuurlijk al snel bij naslagwerken terecht. Niet dat je per se negentiende-eeuwse of achttiende-eeuwse encyclopedieën hoeft te verzamelen, maar ja, ik ben nu eenmaal ook historicus.’

Dat zoeken we op!

De collectie van Sanders bestaat voornamelijk uit naslagwerken. Zich beperkend tot Nederlandstalige encyclopedieën heeft hij een verzameling opgebouwd rond de periode tussen 1732 en 1970. Alle grote reeksen zijn vertegenwoordigd: de Winkler Prins Encyclopedie, de Oosthoek-encyclopedie, De Katholieke Encyclopaedie en meer. Daarnaast beschikt hij ook over talloze vakmatige naslagwerken. Een verzameling met een wel heel duidelijke drijfveer.

De drang om zaken te verifiëren heeft zijn wortels in Sanders’ jeugd. Zoals hij zelf zegt komt hij niet uit een groot boekengezin, maar ‘Dat zoeken we op!’ was bij het gezin aan tafel een veelgehoorde uitspraak. “En dan haalde mijn vader er een naslagwerk bij om te kijken of wat er aan tafel in twijfel getrokken werd te verifiëren viel. Later kwam bij mij het besef dat één zo’n bron niet per definitie de waarheid bevat. Dan begin je meerdere bronnen te verzamelen. Meerdere encyclopedieën, ook verschillende drukken van hetzelfde werk. De verschillen die je daar aantreft vertellen je iets over de periode waarin die druk is verschenen. Een artikel over een belangrijk persoon kan in de eerste druk heel uitgebreid en lovend van toon zijn, en een aantal drukken later heel summier en bondig. In die tijd vonden ze de beschreven persoon dan minder belangrijk of interessant.’

Mensen praten elkaar maar na, zeggen of schrijven maar wat. Ik heb gewoon de neiging om dat niet klakkeloos aan te nemen

Boycott

In 1989 schreef Sanders het Eponiemenwoordenboek, vol woorden die teruggaan op historische personen. ‘Interessant is bijvoorbeeld het woord boycot. Dat komt van kapitein Boycott. Ik was benieuwd hoe dat precies zat. Maar ja, in die tijd had je nog geen internet. Dus dan ga je zoeken in encyclopedieën. En dan vond ik het ook interessant om de ontwikkeling van dat verhaal te volgen. Hoe is daar in verschillende periodes over geschreven? Ik heb heel veel tijd besteed aan het maken van kopietjes in bibliotheken. Dat kostte op een gegeven moment zoveel tijd dat ik bedacht: “Kan ik het niet gewoon beter zelf kopen?” En dat bleek voor niet al te veel geld te kunnen. Dus daar ben ik mee begonnen, en daar ben ik bijna 20 jaar mee bezig geweest.’

Ongekende waarde

Verzamelen is een queeste. Sommige stukken vallen je vanuit het niets in de schoot, maar soms zul je voor zeldzame exemplaren jaren moeten zoeken. Sanders heeft geluk gehad en tegenslagen meegemaakt: Er zijn er volgens mij 9 drukken van de Winkler Prins geweest en 7 van de Oosthoek-encyclopedie, die grote werken zijn niet zo moeilijk te vinden. Mensen zien de waarde van zulke werken niet in en doen ze weg. Iemand deed zo eens met het grootste gemak een prachtige oude katholieke encyclopedie, wat natuurlijk een fantastische bron is, voor pak hem beet 100 gulden weg. Dat is natuurlijk geen geld voor een 23-delig werk.’

Veel moeilijker te vinden bleken een soort populaire, eendelige boekjes uit de 19de eeuw. ‘Die heetten dan ook geen encyclopedieën, maar bijvoorbeeld Raadgever, of Elk wat wils, of titels waar je niet van zou vermoeden dat er een naslagwerk achter schuilgaat. En daarmee komt de vraag naar boven: “Wat versta je precies onder een naslagwerk?” En dat is voor mij gewoon dat er in alfabetische dan wel thematische volgorde allerlei lemma’s in staan over personen of praktische zaken.’

‘Die populaire boekjes zijn in grote oplagen verschenen, maar bijna niet te vinden. De eerste druk van het Van Dale woordenboek komt uit 1864 en daar zijn er tienduizenden van gedrukt, en toch zijn die zeldzaam. Het heeft bijna vijftien jaar geduurd voordat ik die te pakken had. Zo is er ook de  reeks Encyclopedie voor iedereen, daar zijn er uit mijn hoofd 11 drukken van verschenen. Na twintig jaar verzamelen heb ik er 9 van gevonden, en 2 nog steeds niet. Dat komt gewoon omdat ze weggemikt worden. Als boek hebben ze te weinig waarde, maar ik vind de inhoud wel degelijk waardevol.’

Een voorbeeld zijn de drie drukken van de ‘Radio Encyclopedie’, waarvan de eerste druk rond 1936 uitkwam. Sanders: ‘Op een gegeven moment is zo’n werk natuurlijk verouderd en denken mensen: “Hier staan alleen maar verouderde artiesten in.” Maar als je onderzoek doet naar die mensen is het een fantastische bron. Wie denkt er aan dat er in dat soort boekjes ontzettend veel interessante, korte, biografische portretjes staan van revueartiesten en andere belangrijke radiopersonen? Voor historici is zo’n bron hartstikke interessant. En voor de verzamelaar kan het twee dingen betekenen. Aan de ene kant is het mooi dat je zo’n boekje goedkoop kunt krijgen omdat het anders toch maar weggegooid wordt, maar eenmaal weggegooid is het ook weer moeilijker om deze werken te vinden.’

 Op de vraag of er niet één stuk is dat hij dringend vindt ontbreken in zijn verzameling antwoordt Sanders pragmatisch. ‘Nee. Kijk: Encyclopedieën deden hun intrede in Nederland rond 1730, toen werd veel gekeken naar de Franse en Duitse markt – waar de eerste encyclopedieën en woordenboeken verschenen. In de negentiende eeuw vond er een soort explosie aan encyclopedieën plaats. Tussen 1870 en 1950 verschenen er honderden verschillende encyclopedieën. Die gingen over van alles: diamantbewerking, bouwmaterialen, baksteenbakkerij, heel specialistische werken. Het doel was de professionalisering van ambachtslieden. Maar je had ook 15 of 20 encyclopedieën speciaal gericht op vrouwen. Daar heb ik niet alles van gevonden. Ik weet wel van het bestaan, maar ik heb nog niet alles. Het is niet zozeer dat ik nog 1 werk mis en daar als een gek naar op zoek ben. Er zijn werken die ik graag nog zou hebben, maar ik heb al heel veel gevonden. Ik denk dat het nagenoeg compleet is tussen 1730 en 1950. Daarna zijn er dan nog heel wat dingen verschenen die ik niet heb. Niet wil, ook. Ergens moet je stoppen.’

Ruiken, bladeren

Aangezien John Williams tegenwoordig echtgenoten met een hobby aanpakt, kun je je afvragen of het bijhouden van een verzameling niet dusdanig bijdraagt aan de misère van je levensgezellin dat ze RTL belt. Voor je het weet staat Williams op je stoep en neemt hij je levenswerk mee.

Sanders heeft zijn zaakjes echter keurig op orde: ‘Op een gegeven moment neemt zo’n verzameling een hoop ruimte in, dus mijn vrouw is nu wel blij dat het allemaal op een USB-stick past. Maar ik had ook een vrij groot kantoor, daar kon ik veel in kwijt. Het is op een bepaalde manier allemaal achterhaald door de tijd, dit soort verzamelingen in die vorm. Het is leuk om wanden vol encyclopedieën te hebben, maar in mijn ogen is het nóg fijner om te hebben waar ik nu mee bezig ben: een website waar je gewoon 1 begrip intikt en dan van 1730 tot nu in alle encyclopedieën alle artikelen onder elkaar te zien krijgt. Dat is veel handiger. Je wilt van die artikelen wel de volledige tekst kunnen doorzoeken natuurlijk.’

‘De fysieke verzameling was hartstikke mooi. Er zaten allemaal mooie banden om de boeken, dat staat natuurlijk prachtig. Maar het gaat mij uiteindelijk om de informatie die er in staat. Het moet zijn doel dienen, vind ik.’

Daar zijn anderen het niet altijd mee eens. Sanders: ‘Boekhistorici of liefhebbers van boeken zeggen graag dat het boek zelf een historisch object is. Dat moet je in je handen kunnen houden en kunnen ruiken, er doorheen kunnen bladeren. Ook allemaal hartstikke mooi, maar niet voor mij. Het gaat mij in eerste instantie toch om die informatie. Ik houd heel erg van hoe een tekst eruit ziet, dus ik wil per se niet alleen de uitgetikte tekst overhouden. Ik wil zien hoe het er uit zag op de pagina. Lettertype, opmaak, en illustraties moeten gewoon mee in de scanner. Maar ik wil wel op specifieke woorden kunnen zoeken.’

Flapdrol

Eigenlijk leidt het digitaliseren dus tot een encyclopedie in optima forma. ‘Maar ook bij romans is het fijn om op specifieke woorden te kunnen zoeken. Op mijn pc staan meer dan 10.000 romans. Ik doe namelijk woordonderzoek, als ik een woord of uitdrukking zoek tik ik dat in, en dan leest mijn indexeringsprogramma in twee seconden door die tienduizend boeken heen en vindt hij precies waar het in welke bronnen staat. Voor mij zijn het verzamelingen van woorden.’

Heel romantisch is het natuurlijk niet, zo’n digitale verzameling. Maar praktisch is het wel. ‘Zelfs als je in een heel leven iedere dag een boek leest, wat niemand haalt, is je tijd om te lezen beperkt. Ik herinner me meestal vrijwel niets behalve een vage indruk van alle boeken die ik heb gelezen in mijn leven, en dat zijn er best wel wat. Ik kan me van De Aanslag nog wel herinneren waarover het ging, maar de karakters en de precieze woorden die gebruikt werden? Nee. Zo werkt je geheugen gewoon niet. Maar een computer onthoudt dat wel. Daar gaat niets boven. Ik ken natuurlijk wel het genot van een mooie roman lezen, maar bij mij staat toch altijd op de voorgrond dat ik dingen wil kunnen terugvinden. Daar verdien ik mijn brood mee: ik schrijf stukjes over de geschiedenis van woorden en taal.’

Als minister Koenders door Kamerlid Marijnissen wordt uitgemaakt voor flapdrol, dan wil ik het liefst diezelfde dag nog een stuk kunnen schrijven over de geschiedenis van dat woord. Ik tik dat in en mijn computer zoekt door tienduizend romans naar het woord. Ik krijg dan netjes te zien vanaf wanneer we het kennen, hoe werd het gebruikt, door welke schrijvers, in welke context… dat kan alleen als je een verzameling op deze manier opslaat.’

Voer voor de scanner

Sanders verzamelt inmiddels al meer dan twintig jaar. In die tijd kun je behoorlijk veel boeken bemachtigen. Maar is het ooit genoeg? ‘Ik heb mijn verzameling eigenlijk grotendeels afgerond, maar er komt altijd meer bij. Ik verzamel nu boeken die voor mij, hoe oneerbiedig het ook mag klinken, “voer voor de scanner” zijn. Bouwmaterialen voor die digitale bibliotheek. Er is hiernaast een winkeltje met tweedehands boeken waar ik iedere maand langs ga. Alles wat niet verkocht wordt neem ik dan in een krant mee en een dagje later staan ze volledig doorzoekbaar op mijn pc.’

Sanders mist fysieke boeken niet. ‘Ik lees elke dag fysieke boeken en kranten. Ik mis nou niet speciaal het lange zoeken in een encyclopedie, het zoeken in verschillende banden en dan uiteindelijk aan een bureau zitten met wel 6 delen van een naslagwerk. Als je bepaalde informatie zoekt kan een fysiek boek niet op tegen een digitaal boek.’

Testament

Als je hele verzameling op een harde schijf staat, is het belangrijk wie die harde schijf krijgt als het eenmaal je tijd is om te gaan. Wie erft?

‘Uiteindelijk komt het allemaal bij een bibliotheek of andere instelling terecht. Daar zitten problemen aan wat betreft het auteursrecht, anders was het allang gebeurd. Maar het moet uiteindelijk de gemeenschap wel ten goede kunnen komen. Mijn tijd en mijn kennis zijn beperkt, er zijn meer dingen die ik niet weet dan die ik wel weet.’

De verzameling moet Sanders kunnen overleven, dat is duidelijk. De erfenis is in ieder geval veilig – een voordeel van een digitale verzameling is dat je back-ups kunt maken, en dat je hem dus niet kunt beschadigen door er wijn op ter morsen of verliezen aan een huisbrand.

Het gaat mij in eerste instantie toch om die informatie

PDF’je lenen?

Als een vriend je lievelingsboek nooit gelezen heeft leen je hem met alle gemak je eigen exemplaar. Een boek uitlenen is de gewoonste zaak ter wereld. Maar een PDF-bestand uitlenen ligt natuurlijk anders.

‘Formeel mag je voor thuisgebruik dingen kopiëren, maar op het moment dat je het gaat verkopen of verspreiden overtreed je de wet. Je zit met een digitale collectie dus op een grensgebied. Ik kan het niet in honderdvoud aan een universiteit geven. Dat is jammer, want soms kan het de kwaliteit van een onderzoek bevorderen. Ik vind het auteursrecht zoals het nu werkt de grootste rem op verspreiding van kennis die er is. Ik zou het een enorme winst vinden als een politieke partij zijn nek uit zou durven steken door te zeggen: “We hebben hier te maken met een wet uit het begin van de twintigste eeuw. Laten we hem aanpassen want het slaat helemaal nergens meer op.” Formeel moet je 70 jaar wachten na iemands dood voordat je werk van zijn hand mag verspreiden. De boeken die ik zelf heb geschreven staan gratis op internet.’

‘Je zou als auteur veel makkelijker actief afstand moeten kunnen nemen van je auteursrecht. Ik wil gewoon kunnen zeggen: “Hé, ik vind het leuk dat ik geld verdien aan mijn boeken, maar dat hoeft maar te duren zolang ze in de boekhandel te krijgen zijn. Daarna wil ik actief afstand doen van mijn auteursrecht en kan iedereen ermee doen wat hij wil.” En het gebeurt toch al: ik schrijf blogs en ik kom die stukjes overal op internet tegen. Prima. Daar doe ik het toch voor? Als andere mensen ermee gaan verdienen ligt het natuurlijk anders, maar de verspreiding op zich is niet slecht.’

 

Geschreven door admin op 22-05-2012.