Titel:Officier in Afghanistan
Auteur:Kleinreesink, Esmeralda
Uitgever:J.M. Meulenhoff
Pagina´s:224
Prijs:18,95
Afbeelding:
Bestellen:Nieuw boek: Boekstra

Een opmerking vooraf: de ondertitel ‘Achter de schermen van onze militaire missie’ wekt op z’n minst de suggestie dat de lezer een inkijkje krijgt in een actueel proces. Dat is niet het geval. We hebben in dit boek van doen met verhalen uit de periode, dat de grote Nederlandse militaire bijdrage aan de ISAF-missie in de Afghaanse provincie Uruzgan nog moest beginnen. Met andere woorden: we gaan zes jaar terug in de tijd. Toegegeven, ook toen – en ook al in de jaren daarvoor – hebben veel Nederlandse militairen hun missie in Afghanistan vervuld, met name op het militaire vliegveld van Kaboel, op het ISAF Hoofdkwartier in de Afghaanse hoofdstad en ook in het noordelijk deel van Afghanistan. En, kan ik uit eigen waarneming zeggen, er is in al die jaren in menig opzicht nog niets veranderd. Zeker niet in de bureaucratische overkill die kenmerkend lijkt te zijn voor internationale ‘samenwerkingsverbanden’ als de NAVO-missie ISAF (International Security Assistance Force).

Esmeralda Kleinreesink werkte in het voorjaar van 2006 als hoofd lucht -en grondtransportplanning voor de NAVO op ‘Headquarters’ in de Greenzone in Kaboel. In Nederland werkzaam in een geheel andere sector, ze is bedrijfskundige en automatiseerder, werd ze voor de duur van deze uitzending tot luitenant-kolonel (‘overste’) bevorderd om aldus in internationaal verband wat extra gewicht in de schaal te kunnen leggen. Als vrouw in de toch voor het grootse deel door mannen bevolkte militaire wereld kan het nuttig zijn, een extra streep te hebben om op te gaan staan…

In dit zeer onderhoudend geschreven boek verhaalt Kleinreesink over die merkwaardige, voor buitenstaanders vaak onbegrijpelijke wereld van de krijgsmacht, met z’n geschreven en ongeschreven wetten en gewoonten. Een wereld die des te merkwaardiger wordt, wanneer diverse nationaliteiten ook nog eens moeten samenwerken en daarbij bij voorkeur niet de indruk wensen wekken dat men naar andermans – lees: anderlands – pijpen danst. Met andere woorden: heel veel haantjesgedrag, zeker op ‘Headquarters’ waar verhoudingsgewijs veel officieren werkzaam zijn, in eigen land gewend om te bevelen, maar in deze setting soms niet veel meer dan goedbetaalde klerken met wat sterren op hun kraag.

Wat Kleinreesink’s boek vooral de moeite van het lezen waard maakt, zijn de typisch vrouwelijke observaties. Hoe ledig je als vrouw je volle blaas in een Hercules, een transportvliegtuig waar de sanitaire voorzieningen zich beperken tot een geheel op mannen berekend urinoir, in het volle zicht van alle passagiers te gebruiken? Het is een van de praktische problemen waar je als vrouw mee te maken krijgt in de van tijd tot tijd toch tamelijk basale condities van een militaire missie. Maar meer nog...

In dit zeer onderhoudend geschreven boek verhaalt Kleinreesink over die merkwaardige, voor buitenstaanders vaak onbegrijpelijke wereld van de krijgsmacht, met z’n geschreven en ongeschreven wetten en gewoonten

dan dit soort praktische problemen is het leuk en leerzaam om te lezen hoe Kleinreesink vanuit haar vrouw-zijn,  zeg maar van  Venus komend, vragen stelt bij kennelijke vanzelfsprekendheden voor de mannen van Mars. Zo ontmaskert ze de krampachtigheid waarmee veel van haar mannelijke collega’s de voortgang van hun carrière bewaken, desnoods door concessies aan hun professionele geweten te doen. Ook plaatst ze vraagtekens bij het typisch mannelijke en militaire machogedrag, waarbij men nooit moe, bang of aan het eind van z’n Latijn is. Toppunt hiervan is de Britse kolonel met zijn adagium: ‘We’re British, we do not say no!’  Verbijsterend voor buitenstaanders, doch maar al te herkenbaar voor ingewijden, is het verhaal over de Hongaarse  onderofficier die twee ervaren collega’s, een Brit en een Italiaan, moet komen vervangen als vluchtplanner en daarvoor alle kwalificaties mist. De man terugsturen zou een diplomatiek incident veroorzaken. Gevolg: anderen doen zijn werk erbij en de man in kwestie krijgt een bureaubaantje dat ver onder zijn niveau ligt en dient aldus zijn zes maanden uit.

Een uitzending in internationaal verband levert veel boeiende ontmoetingen op met mensen uit de gehele wereld. En uit eigen land. Bijvoorbeeld met de Nederlandse ambassadeur in Kaboel, een buitengewoon vriendelijke en onderhoudende persoonlijkheid die door de auteur tot haar ontzetting werd aangezien voor iemand in de lagere regionen van de ambassadehiërarchie…

Het werd haar niet euvel geduid. Maar niet alle hooggeplaatsten kenmerken zich door grootmoedigheid en sociale vaardigheden. Met ingehouden, maar niet mis te verstane bewoordingen schildert Kleinreesink de air van belangrijkheid die sommige VIP’s zichzelf aanmeten. Daarbij spaart ze ook een voormalig staatssecretaris van Defensie ( een ander dan degene die het voorwoord schreef!) niet, die zich in haar met onderkoeld sarcasme geschreven beschrijving ontpopt als een eigengereide, zelfvoldane hufter.

Voor de ‘burger’, onbekend met de militaire rangen en standen en het militaire jargon, is aan het einde van het boek een lijst met verklaringen opgenomen. Militaire lezers die uit eigen ervaring weet hebben van internationale missies, zullen het boek met zeer veel herkenning lezen. Voor lezers die volstrekt onbekend op dit terrein zijn, zal veel van wat verteld wordt, bevreemding en mogelijk zelfs boosheid wekken. Op z’n minst roept het de vraag op, waar het nu eigenlijk om gaat in een missie als deze. Waarbij het soms lijkt dat alles belangrijker is dan de vooruitgang van het volk en land, waar men zich als internationale troepenmacht heeft gemeld als ‘’Security Assistance Force’.

Dat is een vraag die veel militairen die in de afgelopen jaren hebben deelgenomen aan de ISAF-missie (uw recensent is er een van) zich ook vaak stellen.