Titel:La Superba
Auteur:Pfeijffer, Ilja Leonard
Uitgever:De Arbeiderspers
Pagina´s:352
Prijs:12,50
Afbeelding:
Bestellen:Nieuw boek: Boekstra

Al tijdens het lezen van Pfeijffers boek La Superba, terecht bekroond met de Libris Literatuur Prijs 2014, rees bij mij de vraag of Genua nu meer of minder bezocht zal worden. Geen Hollandse toerist die het smalende commentaar van Ilja op het zielige, lachwekkende gedrag van toeristen in hun ‘te korte broek met rode kop’ gelezen heeft, zal nog gespot willen worden door de schrijver. Net zo goed bezoekt de toerist een andere stad met Middeleeuwse, donkere krochten, steile stegen en zonovergoten piazza’s. Zou het stadsbestuur blij zijn met het beeld dat geschetst wordt in deze roman? De schrijver toont de lezer een havenstad, eeuwenoud met eigen regels en wetten, mogelijkheden en onmogelijkheden, bevolkt door werklozen, grand seigneurs, dronkenlappen, zwervers, prostituees, immigranten, fantasten en welbespraakte dichters.

Het verhaal laat zich lezen als een avonturenroman waar geen einde komt aan de reeks doldwaze scènes die zich al dan niet afspelen in de fantasierijke verbeelding van het hoofdpersonage die de stad Genua uitgekozen heeft als zijn ballingsoord. Vrijwillig? Om belasting te ontduiken? In navolging van schrijvende tijdgenoten? (Als deze migratie trend zo doorgaat, kun je je binnenkort als Nederlandse toerist nergens meer vertonen zonder beschimpt te worden!)

Toeval of opzet?
De lezer die onderricht is in de Griekse en Latijnse Letterkunde zal regelmatig het gevoel hebben zich te bevinden op bekend terrein. Bepaalde situaties en gebeurtenissen zouden namelijk heel goed geïnspireerd kunnen zijn door de werken van Latijnse schrijvers.
Bijvoorbeeld de scène waarin de ik-figuur zich in een pornobioscoop bevindt en om zich heen ontwaart dat her en der vieze, oude mannetjes zich zitten af te rukken; heftig verontwaardigd dat zulks in een toch openbare gelegenheid gebeurt, wil hij zich uit de voeten maken. Dan beseft de ik-figuur dat híj hier de hoofdpersoon is en dat zo’n veertig paar geile ogen op hem, de mooiste en jongste bezoeker, gericht zijn. ‘Er werd iets van mij verwacht. Er werd over mij gefantaseerd. (…) En tegen de tijd dat ik tergend langzaam mijn onderbroek had uitgedaan, zat ik opgescheept met een monumentale erectie die glom in het schijnsel van twintig, dertig of veertig blikken.’ Soortgelijke scènes zijn te lezen in de Metamorfosen van de tweede-eeuwse schrijver Apuleius. In deze (avonturen)roman maakt de ik-figuur Lucius, die in een ezel is veranderd, fantastische avonturen mee die hij, als hij een pen had kunnen hanteren, zou opschrijven, zoals de ik-figuur in La Superba voortdurend memoreert dat hij zijn notities wil omwerken tot een roman. Bij Lucius, de ezel, zien we bij elke erotische of pornografische scène verontwaardiging, tot het moment dat hij zelf erin participeert.

De liefde van de ik-figuur voor het afgerukte been, waarbij de rest van het vrouwenlichaam er bij gedacht wordt, roept herinnering op aan een zelfde obsessie, namelijk die van de beeldhouwer Pygmalion (in Ovidius’ Metamorfosen) voor het door hem gebeeldhouwde meisje. ‘Natuurlijk maakt het ook deel uit van mijn beroep (…) om desnoods uit het niets personages te scheppen naar mijn beeld in wie ik mij zo levendig kan verplaatsen dat ze van vlees en bloed worden (…).’

In de hele roman is geen enkel literair stijlmiddel onbeproefd gelaten. Alle registers van de retorica zijn opengetrokken. Zelden leest men mooiere, meer pakkende vergelijkingen: ‘De regen kletterde als twee gietijzeren valhekken neer aan weerszijden van de overkapping.’ Of elders in de roman waar de hitte die de stad overspoelt in augustus wordt vergeleken met een bad. De stop zit erin en de kraan staat open. Er is niemand thuis.
Het overduidelijke plezier dat de schrijver heeft in zijn mooi-schrijverij spat van elke regel af.
En zo is de roman een aaneenschakeling geworden van mooie woorden en zinnen, fantastische scènes en kolderieke situaties, overdrijving, ijdelheid en gekunsteldheden, en dat alles in de overtreffende trap, waarbij de échte Italiaan het nakijken heeft.

Overdaad schaadt; het is als met een snelstromende torrente: de lezer wordt door de niet aflatende stroom van gekunstelde geestigheid meegesleurd waardoor hem geen blik gegund wordt op wat zich onder hem bevindt. Deze roman sleurt je mee, maar laat je niet achter in ontroering.