NOOT: Anatole France (1844-1924, Nobelprijs 1921) was een vrijdenker. Het christendom met zijn leerstukken, riten, symbolen en gewijde teksten was volgens hem niets anders dan de voortzetting van het heidendom met zijn gebruiken. Tijdens zijn uitvoerige voorstudies en documentatie voor zijn biografie van Sint-Jeanne d’Arc stuitte hij regelmatig op vrome vroegchristelijke legendes, die naar zijn mening louter verzinsels waren. Hij was echter zeker niet ongevoelig voor de charme van die oude verhalen, hij beweerde zelfs dat hij oprecht respect voor het heilige had. Verschillende van die teksten heeft hij bellettristisch bewerkt; waarbij hij het niet kon laten ze naar zijn hand te zetten. De onderstaande bijvoorbeeld heeft hij betiteld als ‘filosofische vertelling voor Paaszondag’.
Amycus et Célestin is voor het eerst gepubliceerd anno 1890 in het dagblad Le Temps. Twee jaar nadien is het opgenomen in de bundel L’Étui de nacre (door de auteur herzien in 1922 en het is deze versie die ik heb vertaald).
Gelovigen voor wie het werk van France een gruwel is, kunnen mijns inziens best waardering aan de dag leggen voor zijn meesterlijk schrijverschap; hij was zeker een der knapste stilisten die de Franse taal ooit heeft voortgebracht.

AMYCUS EN CELESTINUS (1)
Voorover liggend op de drempel van zijn onherbergzame grot, bracht de kluizenaar Celestinus de vigilie van Pasen door in gebed, deze nacht der engelen, waarin de sidderende demonen in de afgrond worden geslingerd. En terwijl de duisternis de aarde nog bedekte, het uur toen de engel des verderfs over Egypte had gezweefd, rilde Celestinus van angst en ongerustheid. Ver in het bos hoorde hij het gemiauw van de wilde katten en de zacht-heldere stem van de padden; verslonden in de onreine schaduwen, vroeg hij zich af of de glorierijke geheimenis wel plaats kon hebben. Maar toen hij de dageraad  zag gloren, maakte, tegelijk met het ochtendkrieken, de blijheid haar intrede in zijn hart; hij besefte dat Christus ten leven was gewekt en riep uit:
‘Jezus heeft het graf verlaten! De liefde heeft de dood overwonnen, alleluia! Stralend laat hij de voet van de heuvel achter zich, alleluia! De schepping is hervormd, hersteld. De duisternis en het kwaad zijn verdreven; de genade en het licht verspreiden zich over de wereld. Alleluia!’
Een leeuwerik, die ontwaakte in het koren, antwoordde hem zingend:
‘Hij is opgestaan. Ik heb gedroomd van nesten en eitjes, witte eitjes met bruine stipjes. Alleluia! Hij is opgestanden!’
En de heremiet Celestinus verliet zijn grot om in de nabije kapel plechtig het hoogfeest van Pasen te gaan vieren.
Terwijl hij het bos doorkruiste, zag hij midden op een open plek een mooie beuk, waarvan de gezwollen knoppen reeds baan maakten voor blaadjes van een teder groen; guirlandes van klimop en bandjes van wol hingen vanaf de takken tot op de grond; votieftafels, bevestigd aan de knoestige stam, spraken van jeugd en van liefde en hier en daar schommelden Eros-beeldjes van klei, met gespreide vleugels en fladderende tuniek, op de takken. Bij het zien van dit alles fronste de kluizenaar Celestinus zijn witte wenkbrauwen:
‘Dit is de feeënboom,’ zei hij bij zichzelf, ‘en de dorpsmeisjes hebben hem naar oude zede behangen met offergaven. Ik breng mijn leven zoek met strijd tegen de feeën, men heeft geen idee van de drukte waarmee deze wezentjes me opschepen. Ze verzetten zich niet openlijk tegen mij. Elk jaar, tijdens de oogst, drijf ik de duivel uit de boom volgens de riten en daarbij zing ik het evangelie van Sint-Johannes.’
‘Iets beters kun je niet doen; wijwater en het evangelie volgens Sint-Jan jagen hen op de vlucht en de ganse winter rept niemand meer over deze dames; maar in de lente komen zij terug en zo kan ik elk jaar opnieuw beginnen.’
‘Ze zijn slim; ze hebben slechts een bosje meidoorn nodig om er als zwerm hun intrek te nemen. En ze oefenen hun toverkracht uit op de jongens en de meisjes.’
‘Sinds ik oud ben, zijn mijn ogen achteruit gegaan, ik zie de feeën nauwelijks nog. Ze houden me voor de gek, ze lopen onder mijn neus voorbij en lachen me vierkant uit. Maar toen ik twintig was, zag ik hen op de open plekken reidansen, met bloemetjeshoedjes, in de stralen van de maan. Heer God, gij die de hemel en de dauw hebt geschapen, mogen uw werken u prijzen! Maar waartoe hebt gij heidense bomen en feeënfonteinen gemaakt? Waartoe hebt gij onder de hazelaar de zingende alruinwortel geplaatst? Deze natuurlijke zaken zetten de jeugd aan tot zonde en veroorzaken talloze moeilijkheden voor de anachoreten die, zoals ik, zich tot taak hebben gesteld de schepsels tot heiligheid te brengen. Was het evangelie van Sint-Johannes maar voldoende om de duivels te verjagen! Doch dat is het niet en ik weet niet meer wat ik moet doen.’
En terwijl de goede heremiet zuchtend verderliep, zei de boom, die een fee was, tot hem met licht geruis:
‘Celestinus, Celestinus, mijn knoppen zijn de paaseieren, de echte paaseieren! Alleluia! Alleluia!’
(w v)

 

 

Geschreven door Grijsaard Henk op 24-10-2017.