WAT VOORAFGING. De kluizenaar Celestinus gaat op pad om in een naburige kapel de liturgie van Pasen te vieren. Maar onderweg, in het bos, stuit hij weer op de toverboom waarin zich een paar maanden per jaar feeën vestigen om de meisjes en jongens van het dorp het hoofd op hol te brengen. Telkens past hij nauwgezet de rite van de duiveluitdrijving toe, doch dat helpt maar even; daarna is hij letterlijk en figuurlijk aan het einde van zijn Latijn tegenover dit overblijfsel van heidense tijden.

Celestinus liep verder het bos in, zonder om te kijken. Hij vorderde met moeite, over een nauw paadje, te midden van doornen waaraan hij zijn pij scheurde, toen plotseling, met een sprong uit het struikgewas, een jonge kerel hem de weg versperde. Hij was half gekleed in een dierenhuid, het was eerder een faun dan een jongeling; zijn blik was doordringend, zijn neus stomp, op zijn gezicht een glimlach. Zijn krulhaar verborg twee hoorntjes op zijn krachtig voorhoofd; achter zijn open lippen zag men spitse, witte tanden; van zijn kin hingen in twee strengetjes blonde haren af. Goudkleurig dons lichtte op van zijn borst. Hij was lenig en slank; zijn gevorkte voeten stonden verborgen in de begroeiing.
Celestinus, die beschikte over alle uit de meditatie ontspruitende kennis, zag terstond met wie hij te maken had en hief zijn arm op om het teken van het kruis te slaan. Maar de faun greep zijn hand en belette hem dit machtige gebaar te voltooien.
‘Goede heremiet,’ zei hij tot hem, ‘tref mij niet met duiveluitdrijving. Even goed als voor jou is deze dag voor mij een feest. Het zou niet van naastenliefde getuigen mij in de paastijd leed te berokkenen. Als je wilt, gaan we een eind samen ons weegs en je zult zien dat ik niet boosaardig ben.’
Celestinus was gelukkig zeer goed thuis in de gewijde wetenschappen, Zeer toepasselijk herinnerde hij zich dat de heilige Hiëronymus in de woestijn als reisgezellen saters en centauren had gehad die de waarheid hadden beleden. Hij zei tot de faun:
‘Faun, wees een hymne van God. Zeg: “Hij is opgestanden”.’
‘Hij is opgestanden,’ antwoordde de faun. ‘En zoals je ziet, ben ik daarover vol vreugde.’
Het weggetje werd wat breder en zij liepen nu naast elkaar. De kluizenaar piekerde, hij dacht: Het is geen demon, hij heeft immers de waarheid beleden. Ik heb er goed aan gedaan hem niet ongelukkig te maken. Het voorbeeld van die grote heilige Hiëronymus is me niet te vergeefs te binnen geschoten. En zich tot zijn bokpotige gezel richtend, vroeg hij:
‘Hoe heet je eigenlijk?’
‘Ik heet Amycus,’ antwoordde de faun. ‘Ik woon in dit bos en hier ben ik ook geboren. Ik heb je aangeklampt, pater, omdat je er vrij vriendelijk uitziet, met die lange witte baard van je. Ik heb de indruk dat alle kluizenaars faunen zijn die gebukt gaan onder de last van de jaren. Op mijn oude dag zal ik op jou lijken.’
‘Hij is verrezen,’ zei de heremiet.
‘Hij is verrezen,’ zei Amycus.
En terwijl zij zich zo onderhielden, bestegen ze de heuvel waarop een aan de ware God toegewijde kapel stond. Ze was maar klein en van ruwe bouw; Celestinus had haar eigenhandig opgetrokken met het puin van een Venustempel. Binnen verhief zich de vormloze, kale tafel van de Heer.
‘Laten we ons neerwerpen,’ zei de heremiet, ‘en het alleluia zingen, want Hij is opgestanden. En jij, onaanzienlijk schepsel, blijf geknield, terwijl ik het misoffer opdraag.’
Doch de faun liep op de kluizenaar toe en zei hem, terwijl hij diens baard liefkoosde: ‘Goede grijsaard, jij bent geleerder dan ik en jij ziet het onzichtbare. Maar ik ken beter dan jij de bossen en de bronnen. Ik ga God lover en bloemen brengen. Ik ken de oever waar de waterkers haar lila tuiltjes gedeeltelijk opent, de weilanden waar de narcis bloeit in gele trossen. Aan zijn lichte geur weet ik de maretak van de wilde appelaar te vinden. Een sneeuw van bloemen bekroont reeds de bossen sleedoorn. Wacht even op me, oude baas.’
In drie geitensprongen verdween hij in het bos en toen hij tergkwam, dacht Celestinus dat hij een struik hagedoorn zag lopen. Amycus was niet te zien onder zijn welriekende oogst. Hij hing de bloemguirlandes op aan het rustieke altaar; hij bedekte het onder viooltjes en zei op ernstige toon: ‘Deze bloemen, voor de God die hen tot leven heeft gewekt!’
En terwijl Celestinus het eucharistisch offer celebreerde, boog de bokkenpoot zijn gehoornd voorhoofd tot op de grond, aanbad de zon en zei: ‘De aarde is een groot ei, dat gij, zon, gewijde zon, bevrucht.’
Vanaf die dag woonden Celestinus en Amycus samen. De heremiet slaagde er nimmer in, ondanks al zijn pogen, de half-mens de onuitsprekelijke mysteriën bij te brengen; maar aangezien door de goede zorgen van Amycus de kapel van de waarachtige God steeds versierd was met guirlandes en mooier met bloemen getooid dan de feeënboom, zei de heilige priester: ‘De faun is een hymne van God.’
Daarom diende hij hem het heilig doopsel toe.
Op de heuvel waar Celestinus het krappe kapelletje had gebouwd, dat door Amycus werd verlucht met de bloemen der bergen, der bossen en der wateren, staat tegenwoordig een kerk, waarvan het middenschip dateert uit de XIe eeuw en het voorportaal onder Henri II is gerestaureerd in Renaissancestijl. Het is een pelgrimsoord en de gelovigen vereren er de gelukzalige gedachtenis van de heiligen Amic en Celestinus.
(slot)

Geschreven door Grijsaard Henk op 01-11-2017.