NOOT. Boz is Charles Dickens en de Sketches by Boz de titel van zijn eerste boek. De stijl is hier en daar nog wat schonkig, werk van een beginneling. Maar frappant is dat de jonge auteur hier reeds zijn later zo sociaal bewogen stem verheft en niet zo zuinig ook.

WAT VOORAFGING. De nieuwsgierigen vóór het politiebureau in Bow Street wachten een en al spanning op de arrestanten die op het punt staan te worden afgevoerd in ‘Harer Majesteits koets’.

Een paar minuten later ging de deur weer open en verschenen de twee eerste arrestanten. Het was een duo meisjes, van wie het oudste niet meer dan zestien kon zijn en het jongste beslist nog geen veertien. Dat zij zusters waren, was zonneklaar, gezien de gelijkenis die tussen hen nog bestond, ofschoon de twee langere jaren verdorvenheid op de gelaatstrekken van het oudere meisje even duidelijk hun stempel hadden gedrukt, alsof ze er met een gloeiend ijzer waren ingebrand. Beiden waren opzichtig gekleed, de jongste vooral; en hoewel zij in beiderlei opzicht sterk op elkaar leken, hetgeen te meer in het oog sprong, doordat zij met handboeien aan elkaar zaten, kon men zich onmogelijk een scherper contrast in het gedrag van het tweetal indenken. Het jongste meisje weende bitter, niet voor de galerij of in de hoop indruk te maken, maar uit diepe schaamte; zij hield haar gezicht verborgen in haar zakdoek en haar ganse manier van doen verried schrijnend en ontroostbaar verdriet.
‘Hoe lang heb je gekregen, Emily?’, riep een roodwangige vrouw uit het oploopje. ‘Zes weken en het spinhuis,’ antwoordde de oudste met een trotse lach, ‘en dat is in elk geval beter dan de stenen kruik; de fabriek is stukken beter dan de nor en Bella hier moet er voor de eerste keer heen. Houd je hoofd op, natte kip,’ vervolgde zij, terwijl zij ruw de zakdoek van het andere meisje wegtrok. ‘Houd je hoofd omhoog en laat de mensen je gezicht zien! Ik mag wat krijgen, als ik mijn rol niet lekker speel.’ ‘Gelijk heb je, oud mokkel!’, riep een man met een papieren pet, een kerel die, evenals de meesten in het groepje kijkers buitengewoon plezier had beleefd aan dit kleine voorval. ‘Zeker!’, antwoordde het meisje; ‘gegarandeerd! En hoe staan overigens de zaken, hè?’
‘Kom op! In de koets, jullie,’ onderbrak de voerman. ‘Niet zo haastig, koetsier,’ antwoordde het meisje, ‘en vergeet niet dat ik wil uitstijgen in Coldbath Fields, een groot gebouw met een hoge tuinmuur ervoor; je kunt het niet missen.’
‘Hallo, Bella, waar ga jij heen? Je rukt mijn dierbare arm van mijn romp.’ Dit ws gericht tot het jongste meisje, dat, gehaast als het was om zich in het voertuig te verbergen, als eerste de treetjes had beklommen, zonder eraan te denken dat zij vast zat met de handboei. ‘Kom omlaag, dan wijs ik je de weg.’ En nadat zij het beklagenwaardige kind had neer gerukt met een kracht die het deed wankelen op het plaveisel, stapte ze, gevolgd door haar ongelukkige gezellin, in het voertuig.
Deze twee meisjes waren de straten van Londen met hun zondigheid en verloedering in geknikkerd door een smerige en schraapzuchtige moeder. Wat het jongste kind nu was, was het oudste ooit geweest en wat het oudste nu was, zou het jongste binnenkort worden. Een triest vooruitzicht, dat echter onherroepelijk werkelijkheid zou worden; een tragedie, doch hoe dikwijls opgevoerd! Richt je blik op de gevangenissen en politiebureaus van Londen, nee, kijk maar gewoon op straat. Deze zaken spelen zich af vóór onze ogen, dag na dag, uur na uur; ze zijn zo alledaags geworden dat niemand er nog aandacht aan besteedt. De criminele loopbaan van deze meisjes vordert even snel als het pad van de pest, waarop ze lijkt voor wat betreft haar desastreuze gevolgen en grootschalige besmetting. Hoe veel ongelukkige vrouwspersonen zijn, onder de ogen van jan en alleman, terecht gekomen op de weg van de ontucht, die verschrikkelijk is om aan te zien; zonder hoop bij zijn aanvang, afstotend, weerzinwekkend halverwege; gespeend van vrienden, ellendig en zonder medelijden bij zijn miserabele eindstreep!
Er waren nog enkele arrestanten: jongens van tien, even hardnekkig in de boosheid als mannen van vijftig; een dakloze zwerver die welgemoed naar de gevangenis ging als een plek van voedsel en onderdak, echter nu nog geboeid aan een man wiens toekomst naar de maan was, wiens reputatie geruïneerd, wiens gezin berooid als gevolg van zijn eerste strafbaar feit. Maar onze nieuwsgierigheid was bevredigd. De eerste groep had op onze geest een indruk achtergelaten die we graag hadden gemist en met plezier gedelgd.
Het oploopje ging uiteen; het voertuig reed weg met zijn lading schuld en pech; en dat was het laatste dat we zagen van de arrestantenkoets.
(slot)

Geschreven door Grijsaard Henk op 10-10-2017.