‘Het kostbaarste geschenk van Duitsland aan de Europese cultuur is de Romantiek,’ moet iemand hebben gezegd. Nou, nou… en Bach dan? Maar wie in die stelling een kern van waarheid ziet, zal er geen moeite mee hebben E.T.A. Hoffmann de bronzen medaille om te hangen.
Was mijn vorige held, Jacob Jan Cremer, een dubbeltalent, Ernst Theodor Amadeus Hoffmann (1776-1822) was er een in triplo: hij schreef, hoofdzakelijk fantastische novellen, verhalen, sprookjes en genrestukjes, hij schilderde, hij componeerde en leidde als Kapellmeister verschillende operahuizen. Natuurlijk was niet alles even goed; waarop critici ook wel fijntjes wezen. Een van dezen heeft het echter bestaan Hoffmann vrijwel geheel in de grond te trappen. (Ik zeg dit gniffelend, want de recensent in kwestie toont twaalf kolommen lang dat hij van schrijven geen benul heeft. Als iemand die zijn ganse leven zijn brood heeft verdiend met taal, blijf ik me verbazen over de luitjes die menen dat je, om voor vol te worden aangezien, bij voorkeur ingewikkeld moet schrijven; die niet hebben gesnapt dat een heldere wijze van uitdrukken een kenmerk van een klare kop is en dat een obscure stijl wijst op een bovenkamer vol turfstrooisel. Heerlijk, zo heb ik mijn stokpaardje weer eens kunnen berijden).
De geschriften van Hoffmann vonden gretig aftrek. Zijn uitgever bombardeerde hem met aanmaningen om onderhand eens de toegezegde manuscripten op te sturen, daar de persen bij wijze van spreken al warm stonden te draaien. Waarop de auteur steevast antwoordde dat de teksten zo goed als persklaar waren en dat hij ze weldra ter post zou bezorgen, doch dat hij dringend een nieuw voorschot nodig had, wat de ander in zijn welbekende edelmoedigheid stellig niet zou weigeren.
Een waarborg voor de kwaliteit van zijn letterkundig werk mag men zien in het feit dat een paar tientallen kunstbroeders onderdelen hebben bewerkt of er zich door hebben laten inspireren. De bekendste voorbeelden zijn wel het uit 1892 daterende ballet De notenkraker, waarvoor Tsjaikovskij de vertelling Nussknacker und Mausekönig benutte, en Hoffmanns landgenoot, de joods-Duitse cellist uit Keulen Jakob Offenbach, die in Frankrijk furore maakte met zijn opera Les contes d’Hoffmann (première in 1882).
Zou Hoffmann vandaag de dag nog vlijtig worden gelezen? Ik weet het niet. De Internetboekverkoper, ook columnist op deze site, liet me kortelings twee kloeke banden zien, waarin de Aufbau-uitgeverij in de DDR de vier boeken van Die Serapionsbrüder, uitvoerig geannoteerd, heeft verzameld. Maar die publicatie is uit 1978; zegt dat nog iets over de belangstelling veertig jaar nadien?
En wat vind ik er zelf van? Het antwoord kan kort en eenvoudig zijn: alles wat interessant van stof en aantrekkelijk van stijl is gaat er bij mij in als Gods woord in een ouderling.

Geschreven door Grijsaard Henk op 07-12-2017.