Onder de korenmaat houden of op de markt brengen? Het schijnt dat er auteurs zijn die dit dilemma op hun bord vinden. Ik kan het moeilijk geloven. Doorgaans zie je deze dames en heren namelijk achter uitgevers aanhollen, in de hoop er een te strikken. Een niet nader te noemen schrijfster is dat gelukt en zij belt de kerel twee per week op om te vernemen hoeveel exemplaren van haar verhalenbundel zijn besteld. (Commentaar van de man: ‘Wij worden hier knettergek van dat mens.’)
De Braziliaan Carlos Drummond de Andrade (jaargang 1902) is vast een uitzondering. Hij had verordonneerd dat zijn erotische poëzie pas na zijn dood gepubliceerd mocht worden. Dat kan ik begrijpen. Hij zal er weinig voor gevoeld hebben de ganse tijd te worden vereenzelvigd met de bedrijver van heetbloedige ruiterstukjes. Stel je voor: Zuid-Amerikaanse mannen van de wereld met gepommadeerde snorren die je een vette knipoog toewerpen. Of je een samenzweerderig elleboogstootje in je ribbenkast uitdelen met de woorden: ‘Nou zeg, bak jij ze even bruin!’ En dan mag je nog van geluk spreken dat ze je niet iets bloemrijkers toevoegen als: ‘Ben je van zins bij ons allemaal de knopen van de gulp te jagen?’
Andrade is gestorven in 1987. Hoe de receptie van zijn wulpse jamben is geweest, heb ik niet kunnen achterhalen. Misschien waren ze, ten tijde van hun schepping nog een hartige hap vormend, na zijn dood wegens de ras voortgeschreden losbandigheid, wel verwaterd tot macrobiotische raasdonders of orthomoleculaire jan-in-de-zak.
Oorspronkelijk wilde ik hier enkele stellingen van mijn gewezen collega annex oude vlam over de poëzie bespreken, maar bij nader inzien vind ik dat zonde van de tijd en van de ruimte.

Ik hoor andere, boeiende stemmen klinken. Deze bijvoorbeeld: wat is eigenlijk het statuut van een gedicht? Sommigen zien het als een entiteit die aan zichzelf genoeg heeft. Dat het bestaat, zou zijn enige bestaansgrond vormen. Ik moet hier denken aan hoe Hegel het Staatswesen kenschetste: das schlechthin an und für sich Seiende. Voor anderen lijken gedichten omgeven door een religieuze stralenkrans, oudtestamentische toonbroden die worden bewaard in het heilige der heiligen en bestemd door uitsluitend de priesters van de tempel te worden genuttigd. Voor weer anderen schijnt een poëem per definitie lyriek. Waarbij ik zo vrij ben te vragen: en de epiek dan, de mystiek, het hekeldicht, het leerdicht?

Van dit laatste genre vind ik nog altijd een magnifiek voorbeeld in de brief van Horatius aan de gebroeders Piso over de ars poetica. Menigeen die zijn Latijn niet heeft bijgehouden, is na zestig, ja, zeventig jaar nog in staat genotvol een paar verzen daaruit te scanderen die in vertaling luiden: ‘Hij is met alle lof gaan strijken die het nuttige met het aangename heeft vermengd.’ En: ‘Bergen verkeren in barenswee en er wordt een belachelijk muisje geboren.’ Lucretius’ De rerum natura mag men gerust zien als een gangmaker van de Verlichting en ook heden ligt het nog op het nachtkastje van vakfilosofen.
Ik zie het zo: het gedicht wordt verwekt en wordt geboren in een samenleving en kan willens nillens daarin een kapitale rol spelen. Het kan de hemel vol violen hangen, het kan echter ook tot zijn kuiten in de modder staan en zelfs bloed aan zijn handen hebben. De opstand van de Hongaren in 1848 tegen de Oostenrijkse overheerser is niet wel denkbaar zonder dat Sándor Petöfi vanaf een balkon in Boedapest de menigte zijn Nemzeti dal (Lied van het volk) in het gelaat slingerde: ‘Wij zweren, wij zweren dat wij nooit meer slaven zullen zijn.’ En wellicht hadden wij het fijne Belgenland nimmer verloren, als niet op 25 augustus 1830 in Brussel Aubers opera De stomme van Portici met het opzwepende libretto van Eugène Scribe en Germain Delavigne was opgevoerd.
(slot)

Geschreven door Grijsaard Henk op 06-05-2018.