Boekennieuws.

Nieuws, reportages en achtergronden uit de wereld van het boek

column

‘Ik weende, ik geloofde’ (2)

Door Grijsaard Henk

Napoleon, toen nog ‘eerste consul voor het leven’, maakte kennis met Chateaubriand op een receptie ten paleize. Hij mocht de man. Hij mocht vooral ’s mans denkbeelden; die had hij opgedolven uit Le Génie du Christianisme. Het ging hem uiteraard uitsluitend om het te verwachten politieke voordeel: de ideeën van de Bretonse burggraaf konden zorgen voor rust in de tent en fungeren als smeerolie in het fijne raderwerk van de betrekkingen tussen de consul en paus Pius VII. Napoleon vond het dan ook een slimme zet dat hij Chateaubriand liet benoemen tot eerste secretaris op het Franse gezantschap bij de Heilige Stoel.
Dat werd echter een fiasco voor alle betrokkenen. De gezant, kardinaal Joseph Fesch, een oom van Napoleon, kon de secretaris niet uitstaan. Van hetzelfde laken een pak voor wat betreft zijn evenknie, de pauselijk staatssecretaris kardinaal Ercole Consalvi. Beiden deden hun best Chateaubriand in Parijs zwart te maken. De laatste was zo onbekookt om in een brief aan zijn minister van Buitenlandse Zaken kardinaal Fesch uit te krijten voor alles wat lelijk was.
Napoleon was des duivels over deze brutaliteit. Maar hij was er de man niet naar om boosheid te laten prevaleren boven diplomatieke kunstgrepen. Hij zag heel scherp dat Chateaubriand gevaarlijk kon worden, het was dus zaak hem in te pakken in een voorname baan, zodat hij hem in de gaten kon houden en in voorkomend geval aan de teugel nemen. Ambassadeur, dat moest de burggraaf worden!
Probleem: er was geen post vrij. Napoleon loste dit op, door speciaal voor Chateaubriand het ‘Buitengewoon gezantschap van de Franse Republiek bij Valais’ in het leven te roepen. De autoriteiten van dit Zwitserse kanton, dat overwegend katholiek was, waren zeer in hun sas met de gezant, een katholieke voorman en een beroemd schrijver.
Weer echter liep alles spaak. Juist in die tijd liet Napoleon via een schertsproces voor een krijgsraad de jonge hertog van Enghien, telg van de hoog adellijke geslachten Bourbon en Condé, fusilleren. Chateaubriand was zo verbolgen over deze politieke moord dat hij onmiddellijk al zijn openbare functies neerlegde.
In juni 1807 publiceerde hij in de literaire gazet Le Mercure de France (waarvan hij langs merkwaardige weg eigenaar was geworden) een geharnast artikel over de schanddaad van Napoleon. Dat was zeer dapper en de auteur was een ware stem van een roepende in de woestijn, want wie durfde destijds de Corsicaanse potentaat in het openbaar de oren te wassen? De tekst sloeg dan ook in als een bom. Sommige abonnees lieten hem inbinden, hij werd druk besproken in de letterkundige salons en er werd zelfs mee gecolporteerd. ‘Napoleon heeft misschien met de koningen afgerekend, hij heeft niet met mij afgerekend,’ zei de auteur.
Napoleon kookte van woede: ‘Denkt Chateaubriand dat ik een imbeciel ben; dat ik hem niet doorheb? Ik zal hem laten neersabelen op de trappen van de Tuilerieën!’ Om te beginnen verbood hij de gazet. Zijn voornemen de auteur op te laten pakken, bleef een loze opwelling; hij had het te druk met oorlog voeren.
Chateaubriand heeft tijdens de restauratie van het koningschap een briljante carrière gemaakt: hij werd ambassadeur in Rome, Berlijn en Londen en is zelfs een tijdje minister van Buitenlandse Zaken geweest. En Napoleon mopperde als balling op het onherbergzame eiland Sint-Helena: ‘Als één boek mij in de wielen heeft gereden, dan was het Le Génie du Christianisme.’
(slot)

Geschreven door Grijsaard Henk op 01-04-2018.

Reacties op "‘Ik weende, ik geloofde’ (2)"