NOOT. Jacob Jan Cremer (Arnhem, 1827-Den Haag, 1880) was een dubbeltalent. Aanvankelijk werkte hij als kunstschilder, opgeleid aan academies en privé bij bekwame meesters. Maar al spoedig werd hij verleid door de roepstem van de letteren, ‘inzonderheid de schone’, zou Jan Greshoff zeggen. Cremer zelf: ‘Inkt vloeit beter dan verw.’ Penseel en spieraam is hij overigens zijn ganse leven trouw gebleven; hij schilderde in de romantische trant, veel knoestige eiken onder vaderlandse luchten, dat soort werk (waarvan voorbeelden in verschillende musea, onder meer het Rijksmuseum, hangen). Cremer tobde lange jaren met zijn lever, welke aandoening hem vrij jong, pas 52, ten grave sleepte. Uiteraard houd ik me uitsluitend met de schrijver bezig.

J.J. Cremer, zo las ik ergens, was de eerste auteur in Nederland die volledig van zijn werk kon leven. Ik stel me zo voor dat deze of gene vakbroeder gesputterd zal hebben over de onredelijke natuur: hij zelf altijd maar sappelen en de Arnhemse collega vlogen de gebraden duiven in de mond, hoewel hij dat helemaal niet nodig had, zoon als hij was van een man die een dikke stapel slappe was had vergaard met de handel in tabak. Nu, enige verfijning is wel geboden.
Cremer heeft vrij veel geschreven: ik tel 25 romans, bundels vertellingen en toneelstukken (die ook op de planken kwamen). Hij werd veel gelezen; zijn Betuwsche novellen en vooral zijn deels in dialect gestelde Over-Betuwsche novellen waren heuse kassuccessen. Diverse werken kwamen nog tot de Tweede Wereldoorlog uit in de populaire ’50 cents-uitgaven’ van Sijthoff.
Doch er was meer. Cremer koesterde ook een passie voor het toneel. Op grote schaal organiseerde hij kunstzinnige avonden, waarop hij voordroeg uit eigen werk. Daarmee trok hij volle zalen. Het schijnen heerlijke avondjes te zijn geweest, want hij beperkte zich niet tot voorlezen, maar gesticuleerde naar hartenlust, vervormde zijn stem tot die van koddebeier of daghitje en daagde zijn publiek uit te voorspellen hoe zijn tekst zou aflopen. En aangezien het hem aan zakelijk inzicht niet ontbrak, ontleende hij aan zijn declamatiekunst aanzienlijke inkomsten.
Van Cremer heb ik alleen Dokter Helmond en zijn vrouw uit 1870 gelezen, een psychologische roman over een onberekenbaar, behaagziek loeder, dat haar man door de versnipperaar haalt. (‘Ben ik je lieve wijfje, August?’) Waarom uitgerekend dit werk? De aanleiding is de criticus Conrad Busken Huet (1826-1886). Na over de schrijver te hebben opgemerkt: ‘Hij is kunstenaar, doch tevens moralist, vooral zendeling… en evangeliedienaar’, sabelde hij de roman in kwestie meedogenloos neer: ‘… dat de heer Cremer een auteur is met banketbakkersgaven… Hij blaakt voor al wat goed en edel is, doch discht dit goede en edele in zulke zoete vormen op, doet er zoo veel suiker, zoo veel vanille, zoo veel oranjebloesemwater bij, dat het eer naar minder dan naar meer smaakt. Men zou zeggen: een te groote portie roomtaart.’
Wanneer ik zoiets lees, word ik niet zozeer door edelmoed aangespoord om een slachtoffer te hulp te snellen als wel verteerd door nieuwsgierigheid naar het naadje van de kous. Balans van de proef op de som: Cremer is geen Gustave Flaubert en evenmin een Emily Brontë, maar het demonische van Madame Bovary en Wuthering Heights roert zich wel degelijk. Ik heb me geen geweld hoeven aan te doen om Dokter Helmond uit te lezen. Uit andere bron verneem ik dat Cremer wordt geprezen, omdat hij als enige zijn romans situeerde in de samenleving van toen, waarmee hij zich literairhistorische verdiensten heeft verworven.
NOOT. Uit de recensie van Busket Huet mag men niet afleiden dat hij uit zijn nek kletste. Hij was streng, hij was scherpzinnig. Lodewijk van Deyssel noemde hem de enige verstandige kerel in een heel gezelschap domme lieden.
(w v)

Geschreven door Grijsaard Henk op 20-11-2017.