Een dezer dagen stemt de Eerste Kamer over de ‘Wet zorgplicht kinderarbeid’. Deze moet voorkomen dat goederen en diensten worden aangeboden waarbij arbeid van kinderen in het geding is. Volgens een agentschap van de Verenigde Naties worden wereldwijd, afhankelijk van de criteria, tussen de 152 en 218 miljoen kinderen gedwongen arbeid te verrichten die schadelijk is voor hun gezondheid, veiligheid of geestelijke ontwikkeling.
Wanneer ik dat lees, moet ik denken aan onze schrijver Jacob Jan Cremer. Hij had een zeer dunne opperhuid en leed enorm onder de talrijke maatschappelijke misstanden; die hij bestreed met brochures en pamfletten onder het pseudoniem ‘Jan Stukadoor’. Vooral het lot van de vele kinderen die, met werkdagen van 10 tot 15 uur, werden uitgebuit door hardvochtige kapitalisten in hun ondernemingen, trof hem schrijnend.
In 1863 wijdde hij hieraan een novelle, getiteld Fabriekskinderen, die hij met aanstekelijk vuur voordroeg op zijn declamatieavonden. Naar het voorbeeld van Multatuli, te weten het slot van de Max Havelaar, richtte hij zich tot koning Willem III, waarbij hij er geen doekjes om wond: ‘Doorluchtige Vorst! wetgevers in den Staat! Ziet: aan uwe en mijne kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen bloeds; ja de droppelen bloeds der arme in Nederland vermoorde fabriekskinderen.’

Wetgeving bande vervolgens de ergste excessen uit. Maar het ging Cremer niet snel en radicaal genoeg. In 1870 verstoutte hij zich via de pers het Nederlandse volk op te roepen de regering te bestoken met protestbrieven; bemoedigd door het succes van deze actie, verzocht hij in een open brief de minister van Binnenlandse Zaken onderhand eens in te grijpen. Mede dankzij een en ander kwam dan in 1874 het ‘Kinderwetje’ van Van Houten tot stand, dat tewerkstelling van kinderen jonger dan 12 jaar in fabrieken verbood.

Tot besluit, als snoepje van de week, een passage uit Cremers roman Dokter Helmond en zijn vrouw; het betreft de bruidegom op de drempel van de huwelijksnacht: ‘Hij zag zijn Eva zooals hij haar nooit te voren aanschouwde; en het was hem bijna alsof een zekere schroom hem vermeesterde, wanneer zijn oog een enkele maal als bij verrassing durfde rusten op den fier golvenden boezem zijner bruid, ofschoon zediglijk verborgen onder kant en wit satijn.’

Niet bepaald proza à la Wolkers. Maar of dat onder alle opzichten te laken valt…
(slot)

Geschreven door Grijsaard Henk op 28-11-2017.