Boekennieuws.

Nieuws, reportages en achtergronden uit de wereld van het boek

column

Lijsten… Lijstjes (4)

Door Grijsaard Henk

NOOT: Henricus redivivus schreef ik in de inleiding tot mijn laatste column, die van 11 juni. Zeer onvoorzichtig! Op mijn vergevorderde leeftijd had ik beter dienen te weten. Geen rekening had ik gehouden met het christelijke Deo volente, noch met het noodlot waar alle treurspelen van de drie grote klassiek-Griekse tragici om draaien. Om een lang verhaal kort te maken: ik ben jongstleden dinsdag uit het ziekenhuis ontslagen, na 21 dagen, waarvan 19 aan het infuus. De geneesheren (en -dames!) hebben mij verlost van een vloed hoogst onnut en gevaarlijk vocht. Reden voor deze jongen om de draad van zijn reeks over persoonlijke lijstjes weer op te pakken en wel met een over Duitse romans.

1. Thomas Mann: Buddenbrooks. Dit ongemeen boeiende verhaal, symbolisch onder meer voor de verwording van de democratie in Duitsland, verscheen in 1901. De auteur was toen pas 25 — om jaloers op te worden. Wat een schitterend Duits schreef deze man! Waar gepast, als uit marmer gehouwen volzinnen, verandering van register, waar een piëtistische dame zich in het gesprek mengt. Mann kreeg voor dit boek de Nobelprijs (in 1929 nota bene!)

2. Joseph Roth: Radetzkymarsch. Gepubliceerd in 1932. De auteur was een Oostenrijks-joodse journalist en romancier. Ik raakte al lezend als het ware verslaafd aan dit portret van de ter kimme neigende Donaumonarchie. Roth woonde van maart tot november 1936 in Amsterdam (waar hij volgens kennissen twee liter jenever per dag dronk). Zijn laatste jaren bracht hij door in Parijs; daar sleepte de alcohol hem, pas 45 jaar oud, ten grave. Men heeft mij wel gebrek aan inzicht en smaak verweten, maar ik blijf vinden dat deze Roth tien keer beter kon schrijven dan zijn onlangs verscheiden Amerikaanse naamgenoot.

3. Heimito von Doderer: Die Strudlhofstiege. Betreft het wel en wee van een Oostenrijkse officier tussen 1910 en 1925, dus ook de ondergang van de Dubbelmonarchie en voorts de eerste jaren van de republiek. De Duitse literatuurpaus Reich-Ranicki vond dat iedere intellectueel deze roman moest lezen. Volkomen akkoord! Doderer leefde van 1896 tot 1966; het onderhavige boek verscheen in 1951.

4. Heinrich Böll: opera omnia. Kijk ik niet goed, wanneer ik de indruk krijg dat deze schrijver nu al grotendeels in vergetelheid is verzonken? Dit kan en mag toch niet! In mijn jonge jaren schiep hij niet alleen verdraaid goede romans, hij was ook een vaandeldrager en heraut van het nieuwe, democratische Duitsland. Hij leefde van 1917 tot 1985 en werd in 1972 gelauwerd met de Nobelprijs.

5. Theodor Fontane: Der Stechlin. Weinig romans hebben op mij zo’n blijvende indruk gemaakt als deze. De schrijver (1819-1898) was van beroep apotheker, doch voelde meer voor de journalistiek, hij was onder meer vier jaar correspondent in Londen. Over de roman in kwestie zei hij zelf dat er eigenlijk heel weinig in gebeurde: een oude man sterft, twee jonge mensen trouwen. De rest is gedachtewisseling. Ronduit geniaal vind ik de manier waarop Fontane zijn boek in overwegende mate vult  met conversatie, soms lichtvoetig, meestal diepgaand. Ach, de tijd toen mensen die wat te melden hadden, hooggestemde conversatie tot kunst verhieven! Der Stechlin verscheen in 1897 als feuilleton en twee jaar later als boek.

(w v)

Geschreven door Grijsaard Henk op 08-07-2018.