Hoewel het door sommigen ten stelligste wordt ontkend, ben ik een ordelijk man. Daarom vind ik het tijd worden een aantal losse eindjes in mijn laatste twee reeksen bijdragen af te sluiten met passende knopen.
Schopenhauer, om te beginnen. Helemaal aan het begin had ik beloofd dat ik terug zou komen op de titel van ’s mans hoofdwerk: Die Welt als Wille und Vorstellung. Met name dat Wille maakt de zaak er niet gemakkelijker op. Geleerden stellen verschillende interpretaties voor (die in een aantal gevallen het onderwerp nog duisterder maken). In het besef dat ik kort door de bocht scheur, zie ik het zo: de filosofie van Schopenhauer (1788-1860) is, zoals hij zelf bij herhaling opmerkt, in wezen die van Immanuel Kant (1724-1804). Er bestaat een eerste werkelijkheid, die van de verschijnselen (Vorstellungen), welke wij kunnen kennen. Maar daaronder ligt een tweede. Om die te kunnen ontcijferen, dienen we de in ons lichaam ingebedde krachten van de wil (Wille) in het geweer te brengen, doch dat is geen sinecure. De wil is namelijk nukkig, evenals de geest waait hij waar hij wil. We zijn dus voorbestemd tot lijden. Vandaar Schopenhauers fundamenteel pessimisme (‘Het is dom te menen dat wij op aarde zijn om gelukkig te wezen’). Slechts de schone kunsten, en dan vooral de muziek, kunnen ons enig soelaas bieden.
Chateaubriand, vervolgens. Hij geeft toe dat hij ondanks alles door Napoleon gefascineerd was. Deze had duidelijk niet slechts een dynastie afgelost, hij had een nieuw maatschappelijk bestel in het leven geroepen. Misschien dacht de schrijver in zijn achterhoofd aan het trotse woord van de ‘Corsicaan met het sluike haar’: De Fransen zullen misschien mijn overwinningen op het slagveld vergeten, zij zullen nooit vergeten dat ik hun een burgerlijk wetboek heb geschonken.’ Al met al voelde hij na zijn aanval op Napoleon in Le Mercure de France steeds het zwaard van Damocles boven zijn hoofd bungelen. Hij besefte dat zij elkaar onder verschillende opzichten antipathiek waren en hij schrijft dat, zoals de ander hem graag had laten fusilleren, hij hem zonder groot verdriet van kant zou hebben gemaakt.
In een andere alinea vraagt hij zich af wat er van hem zou zijn geworden, indien hij Napoleon niet had gebrandmerkt wegens de moord op de hertog van Enghien. Hij zou een politieke loopbaan hebben omarmd, rijk en machtig zijn geworden. Frankrijk had garen kunnen spinnen bij zijn samenspraak met de keizer. Voor hem zelf zou het een verliespost hebben betekend. Misschien had hij een paar ideeën over vrijheid en matiging in het hoofd van ‘de grote man’ wakker kunnen houden. ‘Maar mijn leven, dat te boek stond in de categorie “gelukkig”, zou beroofd zijn geworden van datgene wat er karakter en eer aan had verleend: de armoede, de strijd en de onafhankelijkheid.’
Misschien kan Henk Krol zijn voordeel doen met het volgende. Chateaubriand stelt ergens dat ouderdom vroeger als een eer werd gezien, maar reeds in zijn tijd door de jongere generaties als een last werd ervaren. En hoe interessant is zijn opmerking dat hij aan boord van een schip naar Constantinopel gezelschap had ‘van bijna tweehonderd mannen, vrouwen, kinderen en ouden van dagen’.
(w v)

Geschreven door Grijsaard Henk op 09-04-2018.