Boekennieuws.

Nieuws, reportages en achtergronden uit de wereld van het boek

column

Hiroshima, mon ami

Door Eric Schneider

Hoe ouder je wordt, hoe vaker je terugdenkt aan een steeds vroeger verleden. Het is een normaal verschijnsel, het terug-schrijven ervan is minder algemeen, prachtige uitzonderingen daargelaten. Verspreid over de wereldliteratuur van eeuwen, van Goethe tot Proust; Strindberg tot Vestdijk, et cetera. Dichtung und Wahrheit gaan hand in hand, beïnvloeden elkaar tot iets fascinerends. Mijn oudste broer, de schrijver F. Springer, meende dat “een Indische jeugd de mooiste jeugd is die een mens kan hebben” en hij bedoelde daarmee die van voor de Tweede Wereldoorlog, op Java. Hij was overigens niet de enige Nederlandse auteur die er zo over dacht: los-raken van de Indische archipel door de tijd of wat dan ook, was nog erger dan het Paradise Lost-gevoel wat op andere gebieden schrijvers kon inspireren.

Springer bracht dikwijls op ontroerende wijze het verliezen van tijd, plaats en handeling onder woorden, zonder sentimentaliteit en zich er voortdurend van bewust dat die plaats geleend was en teruggeëiste tijd door de wettige eigenaar. Maar zoals men treuren kan om het verlies van iets wezenlijks dat je leven bepaalde, zo treurt het daar geboren kind tot zijn laatste dagen om de verwaaide geuren, de echoverliezende klanken, de verpopulairde smaak van eten. De Pacific War was “onze” oorlog en betekende het einde van onze jeugd. Het overleven van on-vrijheid is iets dat je je hele verdere leven bijblijft. Meer nog dan de honger, de ziekten en de dood, duurden de jaren van internering.

Dat ons overleven werd bewerkstelligt door twee gruwelijke bommen op twee Japanse steden met tienduizenden onschuldige inwoners, besefte je pas jaren nadien. Het wankel evenwicht van vrede in de wereld is intussen niets veranderd, integendeel, dus houdt de atoombom maar in de kluis: het helpt niet, want lot en noodlot veranderen in iets massaals, iets bijna abstracts en vooral onpersoonlijks.

Zo verging het...

Lot en noodlot veranderen in iets massaals, iets bijna abstracts en vooral onpersoonlijks

mij toentertijd ook, tot ik in 1990 geconfronteerd werd met iets zeer persoonlijks: een ontmoeting in mijn vak van theater maken, met “mijn vijand”, in de gedaante van Yoshi Oida; een in Europa neergestreken theatermaker van niveau. Door de toneelgroep De Appel waren Oida en ik gevraagd om Eindspel van Samuel Beckett vorm te geven, hij als regisseur, ik in de rol van Ham. Het wereldberoemde toneelstuk van Beckett gaat eigenlijk over het einde van de tijd: een vader en een zoon, met voorouders die zich in vuilnisvaten hebben teruggetrokken, wachten op de bevestiging dat er iets is gebeurd dat uiteindelijk iedere vorm van leven doet uitsluiten, alsof de atoombom gevallen is (al wordt dat niet expliciet genoemd). Oida was een fenomeen, hij wist met drie woorden Engels en vier woorden Frans, klanken, lichaamstaal en bezetenheid, Becketts wereld voor ons te openen. Naast het werk bleef hij eigenlijk tamelijk gesloten, tot hij van iemand hoorde dat ik op Java was geboren en in de kampen de oorlog met Japan had overleefd.

Onze geschiedenissen vervlochten zich en lot en noodlot culmineerden in een datum: 6 augustus 1945. Een dag eerder was Yoshi door zijn moeder met een mand eten naar zijn grootouders gestuurd, die ruim veertig kilometer buiten Hiroshima woonden. Met de bus vertrok hij naar het platteland. Nooit zag hij zijn ouders, broers en zuster terug: de dag daarop redde mijn leven. Tientallen jaren later treffen deze twee oorlogskinderen elkaar, aan de Noordzee, repeterend aan het noodlotsdrama Eindspel van Samuel Beckett, wiens invloed op de naoorlogse literatuur minstens even groot was als van Frans Kafka voordien. Volgens mij bestaat er geen toeval: Yoshi Oida en ik zijn geboren in 1934 en we schelen een dag, in de zomermaand waarin de wereld –sinds 1945- nooit meer dezelfde zou zijn: augustus.

Geschreven door admin op 22-10-2012.