Boekennieuws.

Nieuws, reportages en achtergronden uit de wereld van het boek

column

Schopenhauer wel (1)

Door Grijsaard Henk

Via een bevriende typografe, die zich enorm verdienstelijk heeft gemaakt voor de publicatie van mijn (nog steeds verkrijgbare) prachtroman Terug naar Ochsenkoppel, heb ik kennis gemaakt met een man, die zijn brood verdiende met de wijsbegeerte. Misschien had ik beter kunnen reppen van ‘droog brood’; zijn universiteit moest namelijk altijd uit duistere laadjes wat moneten bijeen schrapen, teneinde hem een onderzoekprojectje te kunnen toeschuiven en hem in staat te stellen een paar colleges te geven. Aangezien ik in Parijs niet alleen Franse letterkunde maar ook politieke filosofie, mijn eigenlijke vak, heb gestudeerd, mocht ik graag met de kerel een professionele boom opzetten. Bij een van die gelegenheden moest het hem van het hart: waarom kon geen enkele wijsgeer boeiend schrijven? Ik: ‘Ho, ho! En Schopenhauer dan?’ Hij gaf me gelijk; met dien verstande echter dat Schopenhauer wel de enige was.
Arthur Schopenhauer werd op 22 februari 1788, binnenkort 130 jaar geleden dus, geboren in een welgesteld koopmansgezin te Danzig. Het was de bedoeling dat hij zijn vader zou opvolgen in de zaak, maar daar had hij geen oren naar. Hij studeerde korte tijd geneeskunde, vond dat niet zijn ware roeping en schakelde in 1809 te Göttingen over op psychologie en vooral metafysica.
Als zijn hoofdwerk geldt Die Welt als Wille und Vorstellung; het eerste deel is verschenen in 1818, het tweede in 1844. Op de titel na (waarop ik hoop terug te komen) is zijn boek zo helder als glas. Zich verre houdend van gejongleer met abstracte begrippen, beziet onze auteur de wereld met zeldzaam scherpe blik. eensdeels met medeleven, anderdeels zelfs met medelijden, in een poging allerlei verschijnselen te doorgronden in hun betekenis voor ’s mensen Daseyn. Met excuses voor de platte uitdrukking: de duvel en zijn ouwe moer haalt hij er bij: de wipneus, de slavernij (‘waarvan het einddoel suiker en koffie zijn’), de xanthippes, de zangstemmen, huisdieren, vrouwenborsten, de hertog van Alva, majeur- en mineurtoonaarden, de Essenen, huwelijk, geslachtsgemeenschap en maagdelijkheid, de Nederlandse schilders van stillevens, kinderarbeid, vivisectie, pantoffelhelden, tanden, benen, voeten, kin, voorhoofd;…
Bij dit alles hanteert Schopenhauer een pittige, kordate stijl; die zich niet zelden kleedt met een zekere hanigheid, als bedoelt hij: waag het niet, ongelukkige, mij tegen te spreken!
In mijn Könemann-uitgave haalt de schrijver van het nawoord als voorbeeld van Schopenhauers ‘briljant spraakgebruik’ de volgende passage uit diens opus magnum aan (het betreft het hoofdstuk over ‘De dood en zijn relatie tot de onverwoestbaarheid van het leven’):
‘Wanneer men in de herfst de kleine wereld van de insecten gadeslaat en ziet hoe het ene zijn bed klaarmaakt, om de lange, verstarrende winterslaap te slapen; hoe het andere zich inspint, om als pop te overwinteren en straks, in de lente, jonger en volkomener te ontwaken; en hoe de meeste, zij die voornemens zijn hun rust in de armen van de dood te zoeken, wel eerst voor hun ei de passende ligplaats inrichten, om te zijner tijd hieruit vernieuwd voort te komen; — dan hebben wij te maken met de grote onsterflijkheidsleer van de natuur, die ons duidelijk wil maken dat er geen radicaal verschil tussen slaap en dood is en dat de ene, evenmin als de andere, het bestaan in gevaar brengt. De zorgvuldigheid waarmee een insect een celletje, een holletje of een nest bereidt, daarin zijn ei legt alsmede voedsel voor de larve die daaruit de aanstaande lente te voorschijn komt, lijkt geheel en al op de zorgvuldigheid waarmee de mens ’s avonds voor de volgende morgen zijn kleren klaar legt en zijn ontbijt klaar zet en dan rustig gaat slapen, hetgeen volstrekt niet mogelijk zou zijn, indien niet, krachtens zichzelf en zijn ware aard, het in de herfst stervende insect even zo goed identiek was met het in de lente uitkruipende als de mens die zich te ruste begeeft met  degene die opstaat.’
NOOT. Arthur Schopenhauer is op 21 september 1860 in Frankfurt gestorven aan een longontsteking.
(w v)

Geschreven door Grijsaard Henk op 10-02-2018.

Reacties op "Schopenhauer wel (1)"