Tijdens mijn propedeuse aan de Sorbonne werd ik deze eerbiedwaardige oude dame één maal per week, op vrijdagmiddag, ontrouw, door me naar haar geduchte rivaal, het Collège de France, te reppen om de cursus van de briljante fenomenologische filosoof Maurice Merleau-Ponty over Corps et âme te volgen. Ik vond het altijd een bijzondere belevenis. We zaten niet in een collegezaal maar in een klein aftands theater. Op het toneel slechts een houten stoel en een tafel met een verschoten kleed. De hooggeleerde kwam op van rechts; donker kostuum, wit overhemd, stemmige effen stropdas. Hij legde een spiekbriefje op tafel; ik heb altijd gedacht dat hij het niet nodig had; dat het alleen een conventioneel gebaar was en dat er niets anders op stond dan een memo als: Pas oublier d’acheter un camembert. Na een uur stond de man op, maakte een stijve buiging voor het warme applaus en verdween tussen de coulissen.
Zeer boeiend was dat Merleau-Ponty niet een tijdperk uit de wijsbegeerte of verschillende denksystemen behandelde. Hij bedreef al sprekende filosofie. Men zou kunnen zeggen: hij dicteerde al docerende zijn volgende standaardwerk over een fenomenologisch onderwerp. Moest hij ooit afstand nemen van een vakgenoot, dan zei hij schuchter, als voelde hij zich onheus: ‘Ik geloof niet dat het zo is.’
Aan dit laatste moet ik altijd denken, wanneer ik Schopenhauer lees. Bij deze Duitse Danziger geen spoortje van de Franse hoffelijkheid. Vroeger gewaagden katholieke theologen van drie gevaarlijke wijsgeren met het rijmpje: Fichte, Schelling, Hegel/Die drei deutschen Flegel. Uit de pen van Schopenhauer, hoewel allesbehalve een rk godgeleerde, had het evengoed kunnen vloeien. Hij gaf er echter de voorkeur aan deze collega’s meedogenloos in de grond te trappen. Niet met steekhoudende argumenten (ik heb ze althans niet kunnen vinden), daarentegen met een falanx van scheldwoorden.
Schelling en Fichte betitelt hij als windbuilen, kwakzalvers en kladschilders met pseudowetenschap. Vooral op Georg Hegel, die toch ongeveer als een godheid werd aanbeden, is hij fel gebeten. In Duitsland zijn volgens hem talrijke breinen bedorven en voor altijd verminkt door de miserabele Hegelei, ‘deze school voor platitudes, deze haard van gebrek aan verstand en van onwetendheid, deze schijnwijsheid die de hersens verziekt’. Steeds maar weer, vooral in zijn grote mengelwerk Parerga und Paralipomena, giet hij de fiolen van zijn toorn over Hegel uit, zo vaak dat ik ben opgehouden notities te maken; zo vaak dat ik me afvraag welke verrassende ontdekking een bekwaam psycholoog hier zou kunnen doen.
Schopenhauer gaat werkelijk alle perken te buiten, wanneer hij, in Die Welt als Wille und Vorstellung , Hegel vergelijkt met Caliban, het monster uit Shakespeares The Tempest. Sinds de opkomst van D66 en — nieuwe impuls — van het partijtje Denk, deze vijfde colonne van de dwingeland Erdogan, zouden we zo’n wezen een mutant noemen.
(w v)

Geschreven door Grijsaard Henk op 18-02-2018.