Boekennieuws.

Nieuws, reportages en achtergronden uit de wereld van het boek

column

Schopenhauer wel (5)

Door Grijsaard Henk

Is het niet van de dolle? Nederlandse bleekgezichten reppen zich met hoogst vervuilende vliegmachines naar een tropisch land, teneinde zichzelf aldaar op te knappen met huidkanker wegens dagenlang bakken in de stralen van de koperen ploert?
Misschien heeft het met mijn ver gevorderde leeftijd te maken. Zaak is dat ik in toenemende mate aandrang voel om hier en daar een orgelpunt te zetten of een balansje op te maken.
O, u hebt de zeven of acht kruisjes bereikt, uw onderdanen zijn zo stram als U-balken, uw bekken zo stijf als een kuip uitgedroogde metselspecie. Dan boekt u toch een cruise naar de Zuidpool! Daar is het een en al ijs. Spiegelglad dus. U hoeft daar niet van boord, want voor u pap kunt zeggen, heeft u een breuk in uw stuitje. Passagieren of pierewaaien heeft trouwens geen zin, want op Antarctica zoekt u te vergeefs naar een bruin café of een fritestent. En de pingouins, deze koddige dikkerds, kunt u vanaf de aangenaam verwarmde boot bewonderen.
Niet weinig erger ik mij aan de etherreclame, die ik agressief, stompzinnig en/of zouteloos vind. ‘Genieten! Genieten nu! Genieten aan één stuk door! Genieten mag! Genieten moet!’
Sedert een eeuw of vijfentwintig houden schrandere geesten ons voor dat we ons moeten gedragen als rentmeesters van de schepping. Dat heeft tot op heden weinig — althans niet genoeg — uitgehaald. Van Socrates wordt verhaald dat hij bij het zien van een uitstalling luxe goederen mompelde: ‘Wat is er toch veel dat ik niet nodig heb.’ De Romeinse dichter Quintus Horatius Flaccus schreef: ‘Juwelen, marmer, ivoor, Tyrreense beeldjes, schilderijen, zilverwerk, kleding geverfd met Gaetulaans purper — er zijn er die dat niet hebben en er is er een die het niet eens wil hebben.’ Onlangs las ik  in een brief van een lezer aan Trouw een prachtige uitspraak van Gandhi: ‘De wereld heeft genoeg voor ieders behoefte maar niet voor ieders begeerte.’ De Nederlandse geleerde Jan Tinbergen was de eerste gelauwerde van de in 1969 ingevoerde Nobelprijs voor economie en hij hield een warm pleidooi voor een ‘honeste armoede’, waarmee hij een verstandige sober- of schraalheid bedoelde.
En dan is daar Arthur Schopenhauer. Een lastig en in sommige opzichten zelfs onmogelijk heerschap; maar niet bepaald een domoor. In zijn Parerga und Paralipomena (verhandeling over Aphorismen zur Lebensweisheit) stelt hij: ‘Een kalme en opgewekte inborst, stoelend op volledige gezondheid en knappe inrichting van het bestaan, een helder, levendig, scherpzinnig en correct functionerend verstand, een gematigde soepele wil en bijgevolg een goed geweten — ziedaar allemaal voordelen die door geen enkele sociale positie of door rijkdom vervangen kunnen worden. Immers, wat iemand op zichzelf is, wat hem gezelschap houdt, wanneer hij alleen is en wat niemand hem kan geven of nemen, is kennelijk voor hem van wezenlijker belang dan alles wat hij kan bezitten of in de ogen van anderen voorstelt. Een mens die aan de geest de voorkeur geeft, ontleent in volkomen eenzaamheid aan zijn eigen gedachten en fantasieën voortreffelijk genoegen, terwijl de onophoudelijke afwisseling van feesten, theatervoorstellingen, plezierreizen en vermakelijkheden een afgestompt individu niet kan vrijwaren van martelende verveling.’
Als belendend perceel van het constante gehamer op genot stel ik vast dat je het woord ‘plicht’ nog slechts zelden tegenkomt, een begrip dat voor Chateaubriand noodzakelijkerwijze geplaatst diende te worden naast dat van de gelijkheid der mensen als correctie op en regeling van het democratisch gevoelen.
(w v)

Geschreven door Grijsaard Henk op 25-03-2018.