Kortelings bezocht ik een goede vriend die ik tijdens de groentijd van de studentenvereniging heb leren kennen. Wij zijn beiden de tachtig gepasseerd.  Hij was net weer thuis na een ziekenhuisopname van een kleine twee weken. Ik vlijde mij op de bank, en terwijl Willemijn, zijn vrouw, koffie zette, ontwaarde ik op een bijzettafeltje een stapeltje boeken. Bovenop lag “Kleiner Mann- was nun?” (1932), de wereldberoemde roman van Hans Fallada (1893-1947). Ik heb verschillende boeken van Fallada met groot genoegen gelezen maar dit topwerk was nog niet op mijn pad gekomen. Mijn vriend vertelde dat hij deze indrukwekkende roman tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis had gelezen; de inhoud had hem emotioneel diep geraakt. “Na de koffie” zei hij, “zal ik uit de doeken doen waarom”.

Toen zijn vrouw de kopjes had opgeruimd, pakte hij het boek op en stak van wal:

Je weet dat ik al ruim een half jaar in toenemende mate loop als een dronkenman. Ik zwalk en kan moeilijk koers houden. Een maand geleden vond mijn huisarts dat ik zo slecht liep dat een bezoek aan een neuroloog wenselijk, zo niet noodzakelijk, was om vallen te voorkomen. Dus ik naar de neuroloog die wat standaardtestjes deed en al snel concludeerde dat ik in het ziekenhuis moest worden opgenomen om middels nader onderzoek de oorzaak van mijn wankelende gang op te sporen. De volgende dag was het zover. Naast pyjama, tandenborstel en scheerapparaat nam ik een paar boeken mee waaronder deze Fallada.

Aanvankelijk dachten de artsen aan een beklemde zenuw in de onderrug. Toen uit een reeks testen waaronder een MRI-scan duidelijk werd dat de oorzaak elders moest worden gezocht,   -ik was inmiddels ruim een week in het ziekenhuis en halverwege Fallada-  werd onder meer een CT-scan van de hersenen gemaakt die liet zien dat er schade was in de grote hersenen in een gebied dat de spieren in mijn benen aanstuurt. Geen leuk nieuws maar de oorzaak was gevonden, aldus de neuroloog.

De prangende vraag was nu uiteraard wat de aard van de schade was. De CT- scan gaf geen uitsluitsel. De neuroloog, vergezeld van de zaalarts, beschreef  wat er op de scan te zien was. Hij had het over een drietal donkere plekjes met vage uitlopers die deden denken aan littekenweefsel na schade door een bloedinkje of een klein infarct dat ongemerkt was opgetreden. Ik schrok van het woord uitlopers en vroeg de neuroloog of hij doelde op een infiltratief groeiende tumor oftewel kanker. Hij ontkende dit in alle toonaarden en vond dat ik veel te hard van stapel liep maar gaf toe dat hij een  kwaadaardige tumor niet kon uitsluiten. Een MRI-scan die voor de volgende dag was gepland, zou duidelijkheid geven.

Toen beide artsen de kamer uit waren, keken Dorothé, je weet onze oudste dochter, die bij het gesprek aanwezig was, en ik elkaar aan en stelden aangeslagen en lichtelijk in paniek vast dat de artsen ons nog enig hoop hadden willen geven maar ons in feite hadden voorbereid op slecht nieuws. Daar zaten we dan met z’n tweeën. Willemijn en onze jongste dochter Christine waren thuis. Ik belde mijn vrouw en vertelde haar over de hersenschade en over onze bange vermoedens van de ernst van deze schade. Een uurtje later kwamen Willemijn en Christine, en ook Hugo, onze zoon die middelerwijl door mijn vrouw op de hoogte was gebracht, de ziekenhuiskamer binnenlopen.  Er werd weinig gesproken. We zaten daar met zijn allen. Ik zei dat de dokter had benadrukt dat we geen voorbarige conclusies moesten trekken en dat we echt de uitslag van de MRI-scan moesten afwachten, en ook dat niet de dokter maar ikzelf op grond van zijn beschrijving van de CT-beelden het doemscenario ter sprake had gebracht. Plots vroeg  Christine zich af hoe lang het was geleden dat wij met z’n vijven, zonder anderen, zo bij elkaar waren geweest. Niemand wist het antwoord maar duidelijk was dat het om een retorische vraag ging. Als vanzelf gingen mijn gedachten terug naar de vele (berg)vakanties die wij met zijn vijven hadden gevierd in de jaren dat onze kinderen opgroeiden. Dat waren mooie belevenissen, dierbare herinneringen. 

Die avond alleen in de ziekenhuiskamer duurde lang, kan ik je zeggen. De zaalarts, een charmante jongedame in opleiding tot neuroloog, kwam nog even langs. Ze benadrukte opnieuw dat ik niet moest vooruitlopen op de uitkomst van de MRI-scan. Gaf toch weer een beetje hoop. Ik belde Willemijn om haar wat gerust te stellen en een goede nacht te wensen. Zij vertelde dat Hugo en Dorothé de volgende dag naar het ziekenhuis zouden komen om samen met mij de uitslag van de MRI-scan te vernemen, en dat Christine haar thuis gezelschap zou houden. Dat voelde heel goed.

OK, er was nog hoop; de uitslag kon meevallen maar onvermijdelijk piekerde ik over de vraag hoe de nabije toekomst er zou uitzien voor het geval onze bange vermoedens bewaarheid werden.

Ik ben tachtig; het leven heeft veel goeds gebracht maar ook mijn fouten en tekortkomingen stonden mij die avond kraakhelder voor de geest. Willemijn is altijd mijn steun en toeverlaat geweest en was dat die avond meer dan ooit; ik kon mijn tranen nauwelijks bedwingen toen ik mij realiseerde dat ik haar ongewild zou meesleuren in deze ellende; wat kon ik doen om deze voor haar en voor onze kinderen zo beperkt mogelijk te houden?  Mijn vrouw heeft mij altijd de ruimte gegeven om mijn werk te doen en er veel vrije tijd in te steken; wij hebben drie geweldige kinderen; zij staan, zeker de laatste, jaren altijd voor ons klaar. Waaraan heb ik dit alles te danken, vroeg ik mij af.

Toen realiseerde ik mij dat ik die middag in deze ziekenhuiskamer had mogen ervaren wat liefde vermag. Ik wist mij gedragen door de liefde van Willemijn en onze kinderen en besefte dat dit de basis was die ons samen door de nabije toekomst zou loodsen, ook mochten we morgen een slechte boodschap krijgen. Uit dit besef putte ik moed en mijn sombere gedachten verdwenen. Ik dook in bed met het boek van Hans Fallada dat ik op een tiental bladzijden na uit had.

‘Op een onnavolgbare wijze beschrijft Fallada wat trouw en onvoorwaardelijke liefde vermogen, ook in tijden van tegenslag en bij een hopeloos lijkend toekomstperspectief. Als Pinneberg, de hoofdpersoon, door politieoptreden tot in het diepst van zijn ziel is vernederd en naar huis gaat waar zijn vrouw hem buiten opwacht en hij geen woord meer kan uitbrengen, roept zijn vrouw hem vertwijfeld toe “O Junge, Junge. Was ist denn? Sag doch ein Wort zu deinem Lämmchen! Bin ich denn nichts mehr? Sind wir denn ganz allein” en hij stamelt “Oh, Lämmchen, was haben sie mit mir gemacht? Wie kann ich noch einen Menschen ansehen? Zij fluistert hem toe “Aber du kannst mich doch ansehen! Immer und immer! Du bist doch bei mir, wir sind doch beisammen”. Dan realiseren zij zich dat ze  samen zielsgelukkig zijn en dat hun onvoorwaardelijke liefde alles overwint. Fallada eindigt zijn meesterwerk met “Und dann gehen sie beide ins Haus, in dem der Mukel (hun zoontje) schläft”’.

Het boek was uit. Het was bij elven. Ik draaide mij om en viel in slaap. Ook Fallada bood troost.

De volgende middag kwam het goede nieuws. Ja, er was hersenschade maar die bleek te bestaan uit ‘een oud ischemisch letsel’. Van een kwaadaardige tumor was geen sprake.

Mijn vriend overhandigde mij het boek en zei “Moet je echt lezen”.

De boekenhobbyist uit Utrecht

 

 

 

 

 

 

Geschreven door internetcolumnist op 27-10-2017.