Dichtersstemmen. Een ongewone verzameling, dat is zeker. Het huis van Theo Festen staat er vol mee: opnameapparatuur, bandjes, cd’s, lp’s en dichtbundels. ‘Als je dichters hun eigen gedichten hoort voordragen heb je de illusie dat je aanwezig bent bij het scheppingsproces,’ vertelt Festen. Dat behoeft toch nadere uitleg.

Eerst even iets over de man zelf.

U wilde eerst Nederlands gaan studeren, maar koos uiteindelijk voor Psychologie.

‘Ja, ik wilde eerst Nederlands studeren. Mijn ouders waren allebei arts. Die vonden dat er dus maar één beroep was: arts. Toen was mijn moeder zo handig – een beetje gebruik makend van de spanning die er tussen mijn ouders zo af en toe bestond – om te denken: “Psychologie is zowel een beetje Nederlands als een beetje Medicijnen.” dus zodoende ben ik Psychologie gaan studeren.’

 Heeft u er ooit spijt van gehad dat u geen Nederlands heeft kunnen doen?

‘Nou, dat is moeilijk te zeggen. Eigenlijk wel, maar ja. Dan word je leraar Nederlands op een school en dat is ook weer een moeilijk bestaan. Als psycholoog, beleidssecretaris en uiteindelijk algemeen secretaris van de koepel van de RIAGG ben ik maximaal tot mijn recht gekomen. Alleen ben ik toen dat kon vervroegd met pensioen gegaan, omdat ik toen toch eindelijk aandacht wilde besteden aan mijn literaire passie. Toen had ik het godsgeluk dat een vertaling die ik had gemaakt van gedichten van Paul Éluard door uitgeverij Athenaeum uitgegeven werd. ik probeer nu meer met mijn gedichten en vertalingen te doen. Een beetje inhalen wat ik gemist heb toen ik als psycholoog en beleidssecretaris werkte, dus. En dat is moeizaam, want op mijn leeftijd ben je natuurlijk niet interessant voor uitgeverijen en tijdschriften. Maar je doet wat je kunt.’

 Maar hoe kom je van ‘literaire passie’ bij ‘ik ga dichtersstemmen verzamelen?’

‘Als je dichters hun eigen gedichten hoort voordragen, dan heb je toch de illusie dat je een beetje aanwezig bent bij het scheppingsproces. Dat heb je bij sommige dichters meer dan bij andere dichters, omdat sommige van hen onhandige lezers zijn, maar je komt toch dichterbij het gedicht zelf. Überhaupt vind ik als een gedicht gelezen wordt – een gedicht hoort gezegd te worden, niet alleen gelezen – dat het authentieker is.

Je schrijft gedichten voor jezelf, om dingen te ontdekken, maar ook voor anderen, omdat je een boodschap hebt. En als anderen gedichten lezen leggen ze daar hun eigen boodschap in. Ik kan anderen natuurlijk niet opleggen mijn gedichten op een bepaalde manier te lezen. Dat is juist zo speciaal aan kunst, tussen de beschouwer en het kunstwerk ontstaat een bepaalde band. Daar heb je als kunstenaar eigenlijk geen enkele invloed op. Of tenminste, niet echt. Ik vind het dan ook onzin als mensen kunst gaan uitleggen “zoals de kunstenaar het bedoeld zou hebben”. Je kunt hooguit een gedicht uitleggen “zoals het voor jou werkt”.

Als een dichter zijn eigen werk voordraagt kun je horen hoe hij tot dat punt gekomen is, hoe het onderwerp bij hem speelt. Heel lang geleden heb ik gedichten van Dylan Thomas horen voordragen, dat is echt ongelooflijk. In Duitsland en Frankrijk heb je heel veel opnames van dichters die hun eigen werk voordragen, en dat is zo prachtig om te horen, echt een beleving. Dus ik vroeg me op een gegeven moment af: waarom in Nederland niet? Vandaar mijn ergernis dat niemand daar wat mee doet. In mijn studententijd heb ik veel Franse surrealisten gelezen, en daar kom ik nu weer een beetje terug. Maar ik heb inmiddels veel Frans, Duits, Engels en Nederlands sprekende dichters in mijn verzameling.

 

Nu vraag ik me af: als u zo’n voorkeur heeft voor voorgedragen gedichten, heeft u dan ook liever audioboeken dan geschreven exemplaren? Kun je daar beter aan horen wat de schrijver wil zeggen?

‘Kijk, als je Jan Wolkers hoort vertellen vind ik dat wel heel authentiek. Ik spaar wel wat audioboeken, maar alleen als ze door de schrijvers zelf zijn ingesproken. En dan doen sommige schrijvers dat misschien heel houterig, maar ik ben niet geïnteresseerd in Job Cohen die Nescio leest.

Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Ik heb een prachtige hoorspelversie van de Mei van Gorter. Die zou ik iedereen willen geven. Die is gemaakt door Johan Wolder, een hoorspelacteur en -regisseur die voor de NCRV werkte, die man is nu 90. Ik heb die opname ooit gemaakt op een spoelenrecorder, dat komt dan op een cassettebandje en nu heb ik het op een cd staan. Best een ellende om dat zo te moeten verkrijgen.

En laatst werd hier de hele Mei gelezen. Op een stadsboerderij, Roodnoot, vlak buiten Utrecht. Dat begon ‘s middags om kwart over twaalf en eindigde ‘s avonds om half tien. Allerlei schrijvers en dichters zeggen dan een of twee bladzijden op en mij werd gevraagd de derde bladzijde voor te lezen. Toen dacht ik: “Weet je wat? Ik vraag Johan Wolder – waar ik dus af en toe kom omdat ik zijn versie zo prachtig vond en dus contact heb opgebouwd – om mij te coachen.” En als hij zoiets leest… nou, dan wordt het interessant. Meestal als iemand iets voorleest, denkt hij niet over hoe een zin kan klinken. Zoiets als de Mei gewoon opdreunen is doodzonde. Johan Wolder heeft mij juist geleerd om cadans en gevoel aan te brengen, en dan klinkt het een stuk beter. Dan gaat het leven.’

Dat doet me een beetje denken aan hoe je vroeger voor het slapen gaan werd voorgelezen door je vader.

‘Ja! Precies! Zo wil ik het horen. En niet zoals iemand het houterig voorleest. Het wordt pas echt een interessante confrontatie als je iets zelf leest en dan hoort zoals de schrijver het in zijn hoofd had. Je hebt natuurlijk zelf een beeld gecreëerd aan de hand van de woorden die je las, en dat beeld kun je dan naast het beeld van de schrijver leggen.’

Heeft u dan ook favoriete opnames? Met zo’n echte vaderstem?

‘Dylan Thomas en T. S. Eliot zijn hele mooie. Beiden dragen hun werk heel doorleefd voor, en dat spreekt me aan. Maar ook Cocteau, daar heb ik gewoon iets mee.’

Wanneer komt iemand eigenlijk op het idee om dichtersstemmen te verzamelen?

‘Dat zit zo: Mijn oma vond het ooit tijd om de kleinkinderen allemaal iets te geven. Dan kreeg je een gouden horloge of zoiets. Ik zei: “Oma, ik hoef helemaal geen horloge. Daar moet ik zuinig op zijn en dat kan ik niet. Geef mij maar een bandrecorder.” Daar ga je dan een beetje mee spelen, ik nam eerst alleen muziek op. Daarna geluiden. Uiteindelijk vang je dan een dichter op die zijn eigen werk voordraagt… Enfin, toen was ik verkocht.’

Kunt u een paar stukken laten horen?

 ‘Jazeker!’

Festen rommelt door een stapeltje cd’s en bandjes, alvorens er een paar uit te plukken. ‘Dit is Dylan Thomas,’ kondigt hij aan, ‘een van mijn favorieten.’ Hij drukt een paar keer op de doorspoelknop op het afspeelapparaat, meetellend op de tracklist die hij zelf heeft samengesteld. Dan wordt hij muisstil, en neemt Thomas de kamer over:

‘When I was a windy boy and a bit

And the black spit of the chapel fold,

Sighed the old ram rod, dying of women,

I tiptoed shy in the gooseberry wood,

The rude owl cried like a tell-tale tit,

I skipped in a blush as the big girls rolled

Nine-pin down on donkey’s common,

And on seesaw Sunday nights I wooed

Whoever I would with my wicked eyes,

The whole of the moon I could love and leave

All the green leaved little weddings’ wives

In the coal black bush and let them grieve.’

Gedurende het gehele eerste vers is op de lippen van Festen te lezen wat door Thomas gesproken wordt. De dichter weet precies hoe hij wil dat de onbesuisde jongeling klinkt. Alles gebruikt hij om het beeld kleur te geven dat met geschreven woord alleen maar geschetst kan worden: cadans, benadrukte klankrijm, alliteratie… Het is onmogelijk om niet te begrijpen hoe Festen hier zo in opgaat. ‘En toen ik dit dus hoorde, ben ik voor dichtersstemmen gevallen. Prachtig.’

Een betere uitleg bestaat er ook niet. Hoe kun je goed uitleggen waarom je voor geluid valt, zonder het geluid te laten horen? Het voelt haast gemeen om te zeggen: Je had erbij moeten zijn. Maar het is waar. Voor u, de lezer, is Dylan Thomas wel te vinden op YouTube. Lament, heet het gedicht.

‘Deze opname is nog mooi gebleven, maar je begrijpt vast wel dat lang niet iedere stem even goed tegen het verstrijken van tijd kan. Zo is er een wasrol van Johannes Brahms die iets speelt. Nou, dan hoor je vooral geruis! En dan zegt hij op het eind: “I’m doctor Johannes Brahms.” Oh, dus daar heb ik naar zitten luisteren.’

Heeft u ook iets van Robert Frost? Dat is een persoonlijke favoriet.

Uiteraard heeft hij dat, hij zal de juiste cd er even bij pakken. Haper en kraak. Festen herkent het probleem direct – hij drukt op pauze, veegt de cd-lade af en probeert het nog eens.

Two roads diverged in a yellow wood

And sorry I could not travel both…

De stem van Frost klinkt gewichtig, iets dat goed aansluit bij de cynische aard van het gedicht. Met zijn klank zegt hij dat zijn beslissing het grootste verschil van de wereld maakte, terwijl hij met zijn woorden zegt dat zijn beslissing waarschijnlijk niet zoveel invloed zou hebben. Cognitieve dissonantie werd nog nooit zo mooi gedemonstreerd.

Ik begrijp dat u van een groot deel van uw  verzameling af wilt. Nu vraag ik me af: Waarom?

‘Omdat het me hindert. Ik heb boven twee kamers vol met dat soort dingen. De toegang tot die kamers wordt zelfs versperd door cassettebandjes, spoelenbanden, enzovoorts. Ik moet die eigenlijk catalogiseren, afluisteren, de dingen er afhalen die de moeite van het bewaren waard zijn, maar ja. Als je kijkt naar de grootte van de verzameling en de archivariskunde die er voor nodig is om dat allemaal te catalogiseren… Het zit me gewoon in de weg en ik moet er van af.

Als mensen me dit horen zeggen beginnen ze altijd te jammeren: “Nee, nee, doe het niet weg!” Iemand suggereerde zelfs dat ik een student in zou moeten huren om orde op zaken te stellen. Kom zeg, moet ik er nog voor gaan betalen ook! Nee, het gaat gewoon weg.’

En hoe wilt u dat dan doen?

‘Gewoon. In de vuilnisbak.’

U kunt het niet bij een bibliotheek kwijt?

‘Nee. Veel bibliotheken zijn niet eens geïnteresseerd in de gesorteerde, genummerde cd’s. Waarom zouden ze dan wel geïnteresseerd zijn in de stapels ongesorteerde cassettebandjes? Iedereen zegt: “Je mag het écht niet wegdoen!” Maar niemand wil het overnemen om er zelf wat mee te doen. Sommige mensen willen wel losse cd’s hebben, maar zo werkt het niet. Alles of niets. Ik ga niet met de rotzooi achterblijven.’

Ik zou dan denken: ‘Kom, ik neem alles wel over.’ En vervolgens thuis kijken wat ik interessant vind en de rest weggooien.

‘Ja, dat denk je nu. Ik heb nu alles, maar ik moet er eigenlijk mee aan de slag en dan denk ik: “Dat is zonde van mijn tijd.” Soms zoek ik wel eens iets gerichter, of kom ik toevallig wat tegen, maar je moet wel echt als een archivaris te werk gaan om alles precies te kunnen noteren. Is dat het waard? Het moeilijke is dat je altijd wel weer iets moois tegenkomt dat je ervan weerhoudt de hele boel weg te doen. Het is natuurlijk doodzonde als dat ene mooie gedicht dat je dan toevallig vindt eeuwig voor het nageslacht verloren zou zijn.’

Ik begrijp ook dat verspreiding illegaal is, onder andere vanwege de rechten van radiostations.

‘Ja, en dat is echt een groot verdriet. Ik zou het liefst zien dat al deze stemmen voor iedereen

beschikbaar zijn. Maar het kan niet. En dan kun je denken: “Ja, en dan is het straks beschikbaar, wil niemand het hebben!” Maar dan is het wel beschikbaar voor die selecte groep mensen die het wel schitterend vindt. Die Mei van Gorter… die moet gewoon op scholen beschikbaar zijn.’

Tot slot wil Festen me nog één fragment laten horen. Jammer genoeg is het nergens te vinden. Dat is wel het kenmerk van de ware, creatieve geest. Chaos, poog ik hem gerust te stellen. ‘Ja, bedankt! Maar ik lijd er wel onder,’ grapt hij. Ik riposteer: Maar lijden voedt je kunst.

Festen lacht. ‘Dat klopt. En ik wil meer tijd om te lijden. Daarom wil ik al die rotzooi kwijt.’

Tja. Daar valt niets tegen in te brengen.

 

Geschreven door Vincent op 12-02-2014.