| 1 | Miller, Alice |
| Het drama van het begaafde kind | |
| 2 | |
| Startbijbel | |
| 3 | Armstrong, Karen |
| De verloren kunst van de heilige geschriften |
archief
Achter de schermen van Mulisch’ magnum opus
Harry Mulisch hield een dagelijks verslag bij van zijn werk aan De ontdekking van de hemel, de totaalroman die algemeen gezien wordt als de apotheose van zijn schrijverschap. Alle thema’s en fascinaties die Mulisch een leven lang bezig hielden, komen hierin samen, gedragen door het verhaal van een “kosmische” vriendschap – die tussen hoofdpersonen Max Delius en Onno Quist. In die zin was de roman tevens een eerbetoon van Mulisch aan zijn boezemvriend Hein Donner. Geschreven in de periode 1991-1992, toen dus al een ‘Heinloze’ wereld (Donner stierf in 1988). Maar ook is De ontdekking van de hemel een literair pendant van dat andere zwaargewicht (letterlijk en qua thematiek) uit Mulisch’ oeuvre: De compositie van de wereld. In beide werken staat de samenhang van alles met alles centraal. De Ontdekking van de hemel lijkt bovendien een waarschuwing voor de invloed van de technologie en de daarmee samenhangende ‘ontmenselijking’.
Het verslag dat Mulisch bijhield, wordt door sommige recensenten (waaronder Max Pam, die vaker kritisch over Mulisch schreef – en ook in Logboek figureert hij enkele malen) als minder interessant gekenschetst. Het is waar dat het werk geen ‘grootste’ informatie geeft over de gedachtegang achter De ontdekking van de hemel. Het is geen exegese, voor wie dat verwacht. Ook is het niet te vergelijken met de dagboeken van bijvoorbeeld Thomas Mann. Maar daarom heet het ook geen dagboek. Het is een verzameling overwegend korte notities over het werk aan de roman en het leven van alledag.
Literaire waarde heeft dat misschien niet, maar het is toch boeiend om te lezen. Zo geeft Mulisch een nuchter, maar indringend verslag van zijn hersenbloeding en beschrijft hij – indirect- de toenemende spanning in huis als gevolg van de naderende geboorte van zoon Menzo. Ook de verbinding met het toeval – bekend bij Mulisch – komt op allerlei manieren terug. De bouw van het casino (“de tempel van het toeval”) naast Mulisch’ huis laat hij bewust synchroon lopen met het werk aan zijn roman. Binnen tweeënhalf jaar moet de roman voltooid zijn en bovendien voor zijn vijfenzestigste verjaardag. Dat is een bijzonder getal voor hem, omdat zijn vader niet ouder werd.
Dit lijkt misschien een beetje op bijgeloof, maar op andere vlakken is Mulisch daar wars van. Een van de mooiste passages gaat over een oud Egyptisch beeldje, dat Mulisch bij Jan Six koopt. Ik laat Mulisch even aan het woord, door uit de notitie van donderdag 20 februari 1992 te citeren:
Uit zijn eigen collectie zes ushabti’s gekocht, een mummiemasker en een geheimzinnige houten Horus (valk), die in de geheime kamer op de brandkast stond. Hij had hem al eens eerder aan iemand verkocht, een beeldhouwer, maar die bracht hem terug omdat hij niet meer werken kon met die vogel in zijn atelier. Ook Annabel (vrouw Jan Six, red.) is bang voor de ongeluksvogel en wil dat hij op de gang wordt gezet. Ik verklaar, dat ik een protégé ben van Thoth en dat wij nog wel eens zullen zien, wie er de baas is.