| 1 | Ischa Meijer |
| Brief aan mijn moeder | |
| 2 | Waals, Jacqueline van der |
| Verzamelde gedichten | |
| 3 | Frank, Anne |
| Het Achterhuis |
archief
Blogger avant-la-lettre
‘Verwondering over mijn gezang’. Jan Alensoons muzikale ontmoetingen op zijn reis naar Italië, 1723-1724. Uitgave verzorgd door Helen H. Metzelaar
In de zeventiende en achttiende eeuw was het niet ongebruikelijk dat zonen uit rijke families een grote reis naar Frankrijk en Italië maakten als onderdeel van hun opvoeding of om hun studie af te sluiten. In haar inleiding op deze uitgave vermeldt Helen Metzelaar dat er tientallen verslagen van een dergelijke Grand Tour in handschrift overgeleverd zijn, waarin steeds blijk gegeven wordt van grote belangstelling voor cultuur en dan met name voor architectuur en beeldende kunst.
Wat het verslag van de Leidse burger Jan Alensoon bijzonder maakt, is dat hij in zijn 'dagboek' veel aandacht besteedt aan muziek. Niet verwonderlijk voor een man die beschikt over een stemomvang van, naar eigen zeggen, maar liefst drie octaven! Zo valt zeer regelmatig in zijn 'Dag-register' een opmerking te lezen als 'Ik wierd versogt de cantaat meermaals gemeld met twee stemmem, cant en bas, alleen te singen, 't geen ik deed tot tweemaal toe, waar oover alle die daar waaren seer verwondert waaren.’
De geleerde Alensoon die ook nog eens zeer ruimdenkend is, maakt ons deelgenoot van persoonlijke belevenissen, beschrijft klassieke bezienswaardigheden en verhaalt uitvoerig van bijzondere muzikale ervaringen.Van de reis die ruim een jaar duurde, heeft Metzelaar in deze uitgave de dagen opgenomen waarin Jan Alensoon muziek ter sprake brengt. Metzelaar: 'Zijn muzikale belevenissen betreffen vele muziekgenres, zowel wereldlijk als religieus. Samen met zijn verhalen over het zelf musiceren ontstaat een uniek beeld van de muzikale ervaringen van een welgestelde Nederlander op zijn 'grote reis' door Europa aan het begin van de achttiende eeuw.'
Bij het weergeven van de tekst heeft de uitgeefster de spelling ongewijzigd gelaten, ook daar waar woorden op meer manieren werden gespeld in het handschrift. Evidente fouten zou ze wel verbeterd hebben.Naast zijn belevenissen op muzikaal gebied bevat het ‘Dag-register’ van Alensoon ook veel aardige anekdotes die niet de muziek betreffen, zoals deze, wanneer hij in Parijs tijdens een zwaar onweer alle klokken hoort luiden. Dat ontlokt aan hem de opmerking dat in alle Roomsche landen de gewoonte bestaat om, wanneer het onweert, alle gewijde klokken te luiden om het onweer te doen ophouden. We lezen met welke interessante mensen hij kennismaakt, zoals graven, hertogen, nonnen en castraten.In de maand december, in Turijn, is hij opvallend vaak de gast van ene Madame Falletti, 'die somtijds een pijpje tabak rookte, dog altijd blaatjes van de beste soort.'
Hier volgen enkele voorbeelden van zijn muzikale ontmoetingen. ‘Verders ben ik ten elf uuren aan het hof geweest en den Koning van Sardinië (of Hertog van Savoije) gesalueert hebbende, vroeg hij (…). Ik ging met hem en het hofgesin naa de capelle, daar fraje concerten gespeelt wierden, dog niet gesongen wierd. Naa den eeten heb ik afscheijd genoomen bij de Gravinne van Castelengo, bij Madame Benedicti, bij de Marquise van Saorgio, bij Madame Falletti, die nog eens seer heerlijk song, (…).’ Tegenwoordig zou je bij de laatste opmerking een ‘selfie’ zien!Tijdens zijn verblijf in Milaan: ‘Van daar ging ik naa da (sic) Opera, alwaar somtijds soo hard gepraat en gelagchen word dat men naauwlijks hooren kan. In de loges, die men daar balchi (of palchi) noemt, speelen de heeren en dames een kaartje, dikwijls sonder de minste attentie naa de musiecq.’ En even later valt te lezen dat hij, wanneer hij maar wil, plaats mag nemen op het theater in de loge ‘van de sangers en sangeressen, alwaar ik de musiecq seer klaar hoorde (…).’‘Naa den eeten ben ik gegaan in het nonneklooster van Santa Radegonda, alwaar ik in de kerk, die vrij net is, seer fraaij hoorden (sic) singen, onder andere de vermaarde [non] Quinzana. Deese dames singen stukken met vier stemmen. De cantus is seer hoog, de alt als een canto secondo, de tenor als een alt, en de bas als een tenor. Verscheijde vrouwen heb ik in Italië een tenor hooren singen.’
Metzelaar heeft een gedegen, heldere inleiding geschreven in een prettig leesbare stijl, gevolgd door een paar pagina’s met noten. Aan het eind van het boekje zijn twee registers opgenomen, het eerste met de genoemde muziekwerken, het tweede met de persoonsnamen van kunstenaars, schrijvers en tijdgenoten. Het boekje ziet er keurig verzorgd uit, maar al lezend struikel je, vooral in de inleiding, over talloze slordigheden, zoals verkeerde afbrekingen (‘lake-nindustrie’, ‘Leuci-ppe’) en de cijfers die naar de noten verwijzen. Deze zijn in principe kleiner en hoog aangegeven, maar bij negen van de drieënzeventig noten is dat niet gebeurd. Soortgelijke slordigheden, ook verder in de uitgave, tasten echter geenszins het plezier aan dat men beleven kan aan dit zeer onderhoudende reisjournaal.