| 1 | Miller, Alice |
| Het drama van het begaafde kind | |
| 2 | |
| Startbijbel | |
| 3 | Armstrong, Karen |
| De verloren kunst van de heilige geschriften |
archief
Mag het een onsje minder?
In het jaar 312 na Christus werden even ten noorden van Rome de goddeloze troepen van generaal-keizer Maxentius neergesabeld en afgeslacht door de bevlogen manschappen van Constantijn. Bevlogen waren de soldaten van Constantijn, niet in de laatste plaats omdat hun strijd gericht was tegen een ‘usurpator’, maar vooral omdat Constantijn en dus ook zijn mannen de god van de christenen aan hun zijde hadden, sterker nog: Constantijn en zijn mannen bleken min of meer gezonden te zijn door de god van de christenen. Dit is min of meer het beeld dat mij en vele anderen bijgebleven is van de Slag bij de Milvische brug door toedoen van hen die keizer Constantijn wegens zijn verdiensten ‘uitvergroot’ hebben.
1700 jaar later schrijven Olivier Hekster en Corjo Jansen (redactie) dit boek. Vanuit historisch oogpunt nog steeds belangrijk wordt Constantijn tot ware grootte teruggebracht. Het epitheton ‘de Grote’ mag blijven.
Hoe we Constantijn moeten beschouwen tegen de achtergrond van zijn voorgangers, bij welke ontwikkelingen hij aan het begin gestaan heeft, en nog veel meer, kunnen we lezen in een aantal bijdragen van auteurs die reeds hun sporen hebben verdiend. Naast de bijdragen van de redactieleden, over Constantijns keizerschap en het rechtswezen (mede-auteur Rick Verhagen), komen ook godsdienst en kerken, de beeldende kunsten en monumenten, christelijke en niet-christelijke literatuur, en de nieuwe hoofdstad Constantinopel aan de orde. Deze bijdragen zijn van de hand van Peter Nissen, Sibe de Blaauw, Eric Moormann, Vincent Hunink en Paul Stephenson.
In elke bijdrage staat de vraag centraal of met keizer Constantijn een nieuwe periode is aangebroken, of er sprake is van een breuk met het verleden, zoals sommige christelijke historici ons zouden doen willen geloven, of dat zijn regering een voortzetting is van het oude, dat hij zich (juist) in de lijn van de traditie plaatst en bepaalde ontwikkelingen al in gang gezet waren door/tijdens zijn voorgangers.
Alle bijdragen zijn stuk voor stuk van grote kwaliteit en buitengewoon interessant. Het is zonder meer duidelijk dat de auteurs gedegen onderzoek hebben gedaan, ieder op hun vakgebied. Bovendien verstaan zij ook de kunst om dat in helder, verzorgd proza aan de lezer over te brengen. Slechts één bijdrage vond ik lastig te lezen. Daar kom ik hieronder nog op terug.
Het geheel wordt voorafgegaan door twee duidelijke kaarten en afgesloten met een vroegchristelijk Latijns gedicht [waarom niet ook de Latijnse versie afgedrukt?], noten, een indrukwekkende lijst bibliografie, illustratieverantwoording en index.
De illustraties zijn mooi en ter zake doende, vooral die van de Donatio Constantini (Schenking van Constantijn), uitgebeeld in het oratorium van de kerk Santi Quattro Coronati in Rome. Uiteraard ontbreken de Boog van Constantijn te Rome en de Boog van Beneventum niet, maar het heeft geen zin ernaar te verwijzen als het om details gaat, zoals Hekster respectievelijk doet op pagina 34: “Toch waren de goede keizers zichtbaar op de boog. (…) met naast de keizer afbeeldingen van beelden van Marcus Aurelius en Hadrianus (afb.3).” en op pagina 41: “… is op de bovenste reliëfs te zien hoe Jupiter (links) zijn bliksem weggeeft, en hoe de keizer (rechts) dit teken van macht in ontvangst neemt (afb.4).” Een betere close-up graag!
De tweede bijdrage ‘Constantijn en het recht’ is naar mijn smaak veel te theoretisch gebleven en past, zoals hier gepresenteerd, beter in een collegedictaat voor rechtenstudenten. De inhoud is interessant: we lezen dat keizer Constantijn het kopen en verkopen van onroerende zaken zonder belastingafdracht verbood, dat op misdaden die een bedreiging vormden voor het dagelijks bestaan van vele humiliores (Waarom hier geen vertaling? ‘Sociaal-zwakkeren’ bijvoorbeeld.) hoge en zware straffen stonden. Zoals u ziet, leest het verdraaid lastig, als om de haverklap iets tussen haakjes staat of gecursiveerd wordt. De vele cursieven gevolgd door verklaringen tussen haakjes plus de noot-cijfertjes hoger in de tekst en het feit dat de auteurs de bijvoeglijke bijzin geschuwd hebben maken dat deze bijdrage minder prettig leest. Ik citeer een voorbeeld van pagina 52: “Hij greep daarom hard in, toen het werk van Papinianus dreigde te verloederen door het gebruik van aan Ulpianus en Paulus toegeschreven Notae (Opmerkingen) op de Quaestiones (Rechtsvragen) van de pulcherrimus, de schitterende, 19 Papianianus.”
Nog iets over de bijdrage ‘Constantijn en de literatuur’. Alvorens over te gaan tot de christelijke literatuur beschrijft Hunink de stand van zaken met betrekking tot de niet-christelijke literatuur; hij constateert een stagnatie in de tweede eeuw, waarbij hij terecht een uitzondering maakt voor de schitterende laat tweede-eeuwse roman De Gouden Ezel van Apuleius (Wij prijzen ons gelukkig dat Hunink ook dit werk (in 2003) heeft vertaald!) en grote leegte in de derde eeuw. Wel noemt hij het ‘Nachtfeest van Venus’ (Pervigilium Veneris) als absolute en eenzame topper en merkt daarbij op dat dit fraaie werkje door sommigen verklaard wordt als behorend tot een heel andere tijd dan de derde eeuw.
Wat de christelijke literatuur betreft heeft, aldus de auteur, het jaar 313 (Edict van Milaan) de weg vrijgemaakt voor christelijke poëzie: een Spaanse priester, Juvencus, publiceert rond 329 een omvangrijk gedicht waarin de evangelies worden naverteld in de dichtvorm, waarvan het Romeinse epos gebruik maakte, de dactylische hexameters. Hij prijst Juvencus’ werk: “Op iedere pagina is te zien hoe creatief Juvencus met zijn Bijbelse stof en vergiliaanse taal en techniek omspringt.” (p. 128) Voorafgaand citeert hij Juvencus’ weergave van het begin van de Bergrede in Matteüs 5. Was het niet handig geweest als hier, in een noot, vermeld was van welke passage bij Vergilius de geciteerde zinnen een reminiscentie vormen?
Bovenstaande opmerkingen zijn slechts kanttekeningen van een kritische lezer. Ik wil op geen enkele wijze afbreuk doen aan dit boek. Integendeel, ik heb heel veel geleerd. Tegelijkertijd is het negatieve beeld van medekeizer Maxentius bijgesteld, zie Hekster op pagina 39: “Het heeft er namelijk alle schijn van dat Constantijns tegenstander Maxentius al in 308 christenvervolgingen stopzette. Bovendien stond hij vanaf 18 april van datzelfde jaar weer een bisschopsbenoeming in Rome toe, en ook de eerste kerkbouw in Rome wordt inmiddels aan Maxentius toegeschreven.” En Moormann over de Boog van Constantijn te Rome op pagina 113: “Nergens wordt er een toespeling gemaakt op het karakter van de strijd, die immers een bloedige burgeroorlog was en de legitieme medekeizer Maxentius de kop kostte.” Eindelijk gerechtigheid!
Kortom, dit boek is een bron van informatie voor wie geïnteresseerd is in de Romeinse geschiedenis en in het vroege christendom.
En naast ‘lering’ is er ook ‘vermaak’, heel belangrijk volgens de Ouden.