| 1 | Miller, Alice |
| Het drama van het begaafde kind | |
| 2 | |
| Startbijbel | |
| 3 | Armstrong, Karen |
| De verloren kunst van de heilige geschriften |
archief
Verhalen brengen geen brood op de plank!
Ofwel, in het Latijn: sermones non dant panem
In het verhaal waarmee deze verhalenbundel opent, draait het, zoals vaker bij Veronesi om de vader-zoonrelatie. Hier concreet gemaakt: de verzorging door de zoon van de terminaal-zieke vader. De verwarde zoon begrijpt niet onmiddellijk wat de belofte aan zijn vader, voor hem te zorgen als hij doodziek is, inhoudt. Pas langzaam komt hij tot het besef dat ‘zorgen voor’ in de ogen van zijn vader niets anders betekent dan ‘doen wat goed is voor hem’. Met andere woorden: een einde maken aan zowel geestelijk als lichamelijk lijden.
Dit verhaal had veel meer indruk kunnen maken als de stijl het niet in de weg zat. De zoon Alessandro wordt door de alwetende ‘voorspeller’ toegesproken. Het grootste gedeelte van dit verhaal dat zo’n 24 pagina’s beslaat, bestaat uit een enkele hoofdzin gevolgd door bladzijdenlange bijzinnen van het type: ‘ - en ik weet en ik zeg je dan ook dat jij, nadat …, …’ Ontroerend vond ik: ‘maar vooral voor je vader en jou zullen echt zware tijden aanbreken, voor je vader omdat hij steeds zal slingeren tussen pijn en paranoia, met uiterst zeldzame heldere momenten zonder beproevingen, en voor jou omdat je pogingen het hem zo aangenaam mogelijk te maken zullen blijven mislukken en je hem zult blijven zien lijden, (p.18) – dit natuurlijk vanwege het eerder genoemde onbegrip - . Van een verrassend filosofisch inzicht getuigend was het antwoord van de vader, toen hem gevraagd werd waarom hij naar een of ander dom televisieprogramma keek: ‘Beste jongen, ik kijk naar deze kloteprogramma’s om mezelf wijs te maken dat het leven echt zo platvoers is (…). Zo kan ik er makkelijker afstand van doen.’ (p. 19) Twee zinnen die ik niet snel zal vergeten.
Misschien waren mijn verwachtingen te hoog gespannen, groot bewonderaar van Veronesi als ik ben, maar al lezende raakte ik steeds meer teleurgesteld: hoe is het mogelijk dat een schrijver die al zo veel mooie romans op zijn naam heeft staan, mij nu nauwelijks weet te raken? Bij negen verhalen had ik het gevoel dat het verhaal niet goed van de grond kwam, dat het einde ‘ver’ gezocht was. De lezer werd niet het verhaal in gezogen.
Blijven er nog vier verhalen over waarvan ik er twee heel aardig vond. Die laat ik hierbij onbesproken. Van de twee andere wil ik hier in het kort vertellen waarom zij mij zeer aanspraken.
In het zevende verhaal ‘De woede van het lam’ verruilt het elfjarige jongetje Mète zijn gloednieuwe, leren voetbal voor een flobertgeweer. De jongen die opgevoed wordt volgens een rigide systeem van ge- en verboden, verbergt het geweer in de bijzondere tuin die hem ‘geschonken’ wordt door de ‘gekkin’ uit wier buurt hij juist had moeten blijven. Deze tuin wordt zijn jachtterrein; hier kan hij middagenlang naar hartelust schieten, maar nooit op dieren. Mète voelt een onvoorwaardelijke liefde voor alle schepselen van de natuur. Op een dag treft hij een schildpad aan die hij aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpt zonder het beestje pijn te doen. De ‘gekkin’ die hem heeft gadegeslagen, houdt hem voor dat het schild van de schildpad onverwoestbaar is en overreedt hem tenslotte om de ondoordringbaarheid van het pantser te testen. Zij krijgt hem zover dat hij zijn geweer gebruikt. Wanneer de jongen angstig het eerste schot gelost heeft, is hij heel blij dat de kogel afgeketst is op het schild. De vrouw beweert echter dat hij een boomstam geraakt heeft en dwingt hem nog eens aan te leggen. Wanneer de jongen de schildpad zelf raakt en niet zijn schild, ziet de jongen geen andere uitweg dan het dier van zijn ellende te verlossen. Op dit punt in het verhaal wordt de dreiging van onheil zo voelbaar dat je met afgrijzen verder leest. Het arme jongetje is zich ervan bewust dat hij zonder te willen kennis maakt met het Kwaad. Werkelijk een prachtig verhaal!
Het laatste verhaal ‘Misplaatste kussen’ handelt om een dichter. De ik-figuur, een brooddichter, houdt zich op een wonderlijke manier in leven: hij wordt in de hogere kringen te eten gevraagd, niet om zijn gedichten ten gehore te brengen, zoals in de oudheid gebeurde, maar juist omdat al die adellijke dames erachter willen komen hoe hij in leven blijft. Knipoog naar de oudheid, waar dichters juist om hun gedichten op het diner gevraagd werden. (Immers: geen broodheer geen brood. Dichters als Horatius en Vergilius zijn zo begonnen.) Zo treffen we in dit verhaal meer van dat soort ‘omkeringen’ aan. Alleraardigst dus om te lezen voor een klassiek geschoold iemand. Helaas wordt de profetische zin ‘carmina non dant panem’, waarmee men de ik-figuur probeerde af te houden van het dichten, niet vertaald. Bij deze: ‘van gedichten kan men niet leven’.
Over de vertaling van het Italiaans ben ik zeer te spreken. Rob Gerritsen levert goed werk af. Over de verhalen zelf van Veronesi zou ik met verwijzing naar carmina non dant panem willen zeggen: van verhalen kun je niet leven. Keer terug naar de roman!