Boekennieuws.

Nieuws, reportages en achtergronden uit de wereld van het boek

archief

De wijde wereld in een bekrompen land

‘Hallo Wereld’, is het thema van de Kinderboekenweek van dit jaar (3 t/m 14 oktober 2012) over de ‘aanraking met kinderen van andere culturen in een steeds kleiner wordende wereld’. Tegelijkertijd verschijnt aan de vooravond van de viering en herdenking van 200 jaar Koninkrijk en Grondwet (waarmee we van 2013 t/m 2015 te maken krijgen) het boek KOKARDE*, Patriotten en Oranjeklanten op weg naar 1813/1815: Over de levens van vijftig Nederlanders die bepalend zijn geweest voor  het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden in velerlei facetten. Aanleiding om met Ruud Spruit, auteur van Kokarde, te bladeren in de kinderboeken van die tijd, om in aanraking te komen met de ‘andere culturen’ van toen. Het ligt voor de hand te beginnen met Hieronymus van Alphen, gedoodverfd als auteur van de eerste echte kinderboeken. Het verhaal is bekend. Hieronymus, de bedaagde huisvader die advocaat is maar het liefst zijn dagen sleet in de stilte van zijn bibliotheek. Zijn saaie bestaan werd opgefleurd als hij zijn grote liefde vindt, Maria van Goens, gevolgd door een huwelijk en de komst van enkele kinderen. Dit was de gelukkigste periode van zijn leven aan de Trans in Utrecht, pal achter het gerechtsgebouw. Lang zou het niet lang duren. Zijn vrouw stierf in het kraambed bij de geboorte van haar derde kind. Van Alphen bleef diep bedroefd achter met drie kleintjes. Hij wilde hen voor geen prijs bloot stellen aan huisonderricht, laat staan dat ze een school zouden bezoeken, maar besloot hen zelf op te voeden. Weldra stuitte hij op een gebrek aan kinderliteratuur. Niet dat er geen kinderboeken waren, zoals vaak wordt gedacht: er was materiaal genoeg. Kinderalmanakken, centsprenten, boekjes met de oude verhalen over Tijl Uilenspiegel of Reinaert de Vos, de reisverhalen van Bontekoe en nog veel meer. Maar dat was stof voor het gewone volk. Beschaafde kinderen moesten ver worden gehouden van verhalen die de zinnen en de fantasie prikkelden. Van Alphen besloot zelf in het hiaat te voorzien. Het resultaat was een oeuvre van in totaal niet meer dan 66 versjes die werden gedrukt en herdrukt tot ver in de 19de eeuw, vertaald in het Engels, Frans, Duits en Maleis en door beschaafde ouders de hemel in werden geprezen. Maar dat de kinderen gek waren op deze brave liedjes moeten we met een korrel zout nemen. Natuurlijk, gebeurtenissen als het weerstand bieden aan het verlangen om een paar pruimen te jatten, of Cornelis die een glas brak en dat eerlijk opbiechtte, waren herkenbare verhalen voor een kind dat verder voor zijn lectuur was aangewezen op bijbel en catechismus. Daar kwam bij dat Hieronymus, die trouwens vrijwel geen cent heeft verdiend aan zijn beststellers, erop stond dat de volgende drukken werden versierd met afbeeldingen die in directe relatie stonden met het onderwerp, wat toen helemaal niet vanzelf sprak. Het moet geweldig zijn geweest voor kinderen om, in een tijd dat er nauwelijks sprake was van beeldcultuur, de goed verzorgde illustraties te bekijken. De afbeeldingen verraden overigens dat we niet van doen hebben met de wereld van Jan met de pet; de pruimenboom staat in een formele tuin met keurig geschoren hagen, het gebroken glas zit in een rijke gevel, de kinderen voor wie ‘spelen leren is’ maken hun huiswerk in een rijk interieur. Verderfelijke sprookjes Juist in die tijd waren er mooi uitgevoerde kinderboeken, met handgekleurde gravures, zoals de Sprookjes van Moeder de Gans. Een boek uit het begin van de 18de eeuw met onsterfelijke verhalen over Klein Duimpje, Sneeuwwitje en Assepoester, die nog in de vorige eeuw Walt Disney rijk hebben gemaakt en nu zorgen voor files rond de Efteling. Maar de tere kinderzieltjes van de betere standen werden niet belast met zulke dwaasheden. Justus van Effen, de bekende publicist uit die tijd, moest niets hebben van sprookjes of kinderromans, hij was überhaupt tegen fictie voor kinderen. Zelfs de toch niet bepaald bedaagde Betje Wolff achtte sprookjes beslist ongeschikt voor kinderen. Reisverhalen zoals Robinson Crusoe, het boek van Daniël Defoe dat na de eerste publicatie in 1719 een zegetocht begon over de hele westerse wereld, werden beslist niet geschikt geacht voor de Nederlandse kinderkamer. Wel verscheen er een vertaling van de flauwe bewerking door de Duitse schrijver en vrijmetselaar Joachim Heinrich Campe. Een serie verhalen, die een vader aan zijn kinderen vertelt, met een knappe ‘cliffhanger’ aan het eind van ieder hoofdstuk. Dat gaat in deze trant: “Hy was nu reeds een jongman van zeventien jaaren, en had meest al' zynen tyd met leêgloopen versleten. Dagelyks hield hy by zynen Vader aan, dat deeze hem toch zou laaten vertrekken om de waereld te bezien; doch zyn Vader antwoorde: Dat hy niet wel bedacht was, en wilde daar niet van hooren spreeken. Jongje, Jongje! zeide dan de moeder tegen hem, blyf te huis, en maak, dat gy daar, op eene ordentlyke wyze aan de kost komt!” Het hoeft geen betoog dat het belabberd afliep met deze Robinson. Natuurlijk er waren uitzonderingen in de vorm van tolerante en ruimdenkende ouders, zoals we bijvoorbeeld kunnen lezen in de dagboeken van Otto van Eck, die zich op zaterdag 7 maart 1795 (hij is dan vijftien) in de avonduren vermaakt met Reizen in de binnenlanden van Afrika van François le Vaillant. Otto kreeg van tijd tot tijd boeken doorgespeeld van zijn geliefde oom, de verlichte staatsman Pieter Paulus, die verder gingen dan de brave lectuur waar de kinderen in zijn omgeving het mee moesten doen. In de bibliotheken van zichzelf respecterende regenten en kooplui stonden trouwens de prachtwerken van die dagen, vol afbeeldingen van vreemde volken. Reisverhalen zoals van James Cook in de Nederlandse vertaling van de diplomaat en talenkenner Jan David Pasteur. Boeken die streng verboden waren voor de jeugd; maar ongetwijfeld zullen heel wat ondeugende kinderen hun nieuwsgierigheid hebben bevredigd en stiekem de boeken uit de kasten van hun vaders hebben getrokken om met rode oortjes de beschrijving te lezen door een zekere Joseph Banks die met Cook naar Tahiti reisde en tot in de details beschrijft hoe de billen van een 14 jarig meisje werden getatoeëerd: “Deeze konstbewerking is pijnlijk en daar verloopen enige dagen eer de wonden geheeld zijn”. Gravures toonden de instrumenten en het resultaat. Dicht bij huis De opvoeding richtte zich wat het reizen betreft op de directe omgeving van het kind. Wandelingen dicht bij huis. Duitse pedagogen durfden het net aan om bescheiden schoolreisjes te maken, zodat zij de kinderen konden wijzen op Gods wondere natuur. Een reis per trekschuit of postkoets was een onderneming die diepe indruk maakte en lang gespreksstof gaf. Aardrijkskunde werd vooral gezien als een vak voor kooplui, zodat ze ongeveer wisten waar de landen lagen waarmee ze handel dreven, en verder voor zeelui en landmeters. Als er in een kinderboek al sprake was van een reis, dan was dat vooral een manier om enige kennis bij te brengen van de aarde en de planeten. De aarde die een bol is en het sterrenstelsel dat op de zuidelijke helft van de globe een ander aanzien heeft. En passant wordt dan wel eens gewezen op een land dat men bij die denkbeeldige reis passeert, zoals blijkt uit de opmerking in het Weekblad voor kinderen uit 1798 waar Australië wordt geïntroduceerd als vijfde werelddeel: “De Engelschen hebben hier voor eenigen jaaren eene colonie, uit roovers en gauwdieven bestaande, opgerecht. Eene vreemde volksplanting: in de daad! Niet waar kinderen?” Tijdschriften voor kinderen zijn in die tijd trouwens een nieuw en snel populair wordend fenomeen. Vaak zijn de uitvoeringen en illustraties bijzonder fraai. Deze tijdschriften waren niet goedkoop en alleen binnen het bereik van rijke kinderen met verlichte ouders. Het vergt even bladeren door de vele teksten over de meest uiteenlopende onderwerpen, maar af en toe is er toch sprake van reizen en dan gaat het niet alleen over rariteiten in Gods wondere schepping; ook over ontmoetingen met vreemde volken.   Het is voor ons vermakelijke lectuur, uit een tijd waarin men doordrongen was van de eigen superioriteit zonder enig begrip voor andere culturen en religies   Rare vreemdelingen Het is voor ons vermakelijke lectuur, uit een tijd waarin men doordrongen was van de eigen superioriteit zonder enig begrip voor andere culturen en religies. Een kleine bloemlezing uit het door boekhandelaar Johannes van Hey uitgegeven Weekblad voor Kinderen: Over de Chinezen: “Zy hebben zeer kleine bruine oogen, een valsch en bedrieglyk uitzicht, een korten neus, en het hoofdhair afgeschooren, behalve eene vlecht op de kruin des hoofds”. Voor een beter begrip verwijst de auteur naar de porseleinen beeldjes en afbeeldingen op porseleinen vazen die in de rijke huishoudens veelvuldig voorkwamen. Bewondering voor de vlijt en kundigheid van de Chinezen werd terstond weer tenietgedaan met de opmerking: “ ’t Is evenwel zeker, dat de Chineezen, even groot zwetzers zyn als alle andere Oostersche volken”. Japanners kregen meer waardering: “Het charakter der Japanners is vryer, onbedwongener en grootmoediger dan dat der Chineezen”. Wat de Indiërs betreft kan men waardering opbrengen voor het kastensysteem, dat immers overeenkomsten vertoonde met de strenge en “door God gewilde” verdeling tussen rijken en armen in het Nederland van de 18de eeuw. Bij Afrika wordt er onderscheid gemaakt tussen de verschillende volken, waarbij vooral de licht gekleurde rassen enige waardering ondervinden. De Hottentotten komen er bekaaid af: “De uiterlyke gedaante van deeze menschen is voor ons zeer onbevallig”, lezen we in het Weekblad voor Neêrlands Jongelingschap van februari 1784: “Zy hebben naamlyk groote oogen, dikke lippen, platte neuzen, en wollig hair. Hunne kinderen zyn, als zy ter waereld komen, noch al taamlyk schoon en blank; doch men draagt zorge, om terstond hunne neuzen plat te drukken, en hunne lichaamen met vet en roet te besmeeren, waardoor zy ten laatsten geheel zwart worden”. (sic).   De plaats van de slaven In kinderenlectuur uit het laatste kwart van de 18de eeuw schittert het onderwerp slavernij door afwezigheid. Zwarte mensen pasten, evenals de armen, in het beeld van de door God gewilde ordening in de maatschappij, waar men niet aan moest tornen wilde men het maatschappelijk bouwwerk overeind houden. De plantagehouders, de suikerraffinadeurs, de handelaars in tabak en al die anderen die direct of indirect verdienden aan de West-Indische besognes hadden hun excuusneger in de vorm van de zwarte dominee Jacobus Elisa Joannes Capitein, die door een Haagse schoolmeester uit mededogen werd meegenomen naar Nederland en daar naar school ging en vervolgens theologie studeerde. Capitein preekte dat de slaven hun lot te danken hadden aan de bijbelse Cham, de zoon van Noach die zijn vader bespotte en stamvader werd van de Afrikaanse volken. Deze zwarte dominee vond het onjuist om bekeerde slaven vrij te laten, omdat ze dan christen zouden worden uit een verlangen naar vrijheid en niet uit overtuiging. De Franse revolutie was aanvankelijk consequent in het streven naar gelijkheid met als gevolg dat in 1794 de slavernij werd afgeschaft en er zelfs zwarte vertegenwoordigers van de Franse koloniën in het parlement kwamen. De blinde dichteres Petronella Moens was lyrisch over deze ontwikkeling:   De vrije Fransche Natie, Verbracht der slaaven keten; Zij noemt verdrukte Negers, Haar vrijgeboren broeders.   Betje Wolff keerde zich fel tegen de slavenhandel:   Hou op! barbaarsche Europeaan, Kunt gij die zugten wederstaan, Die klagten, deezen tranenvloed, Die gij, gij monster, stroomen doet?   Elisabeth Maria Post stelde zich in haar roman Reinhart veel gematigder op: “De Voorzienigheid heeft ze (de slaven) in de gegeven situatie gebracht en God zal ze na hun dood schadeloos stellen”. Het bleek nog te vroeg voor verlichte ideeën over de slavernij. Napoleon stelde in 1802 de slavernij weer in en hij zette de zwarte parlementsleden gevangen om onrust in de koloniën te voorkomen. Wolff en Moens streefden nog altijd naar emancipatie van de zwarten, die er niets aan konden doen dat zij niet blank waren, als gevolg van hun klimaat en voedselgebruik. Beide schrijfsters begrepen dat ineens afschaffen van de slavernij onmogelijk was en zij pleitten voor een geleidelijk overgang naar vrijheid en een humane behandeling. De Romantiek wakkerde de reislust aan, en heel geleidelijk drongen er meer realistische beschrijvingen van vreemde volken door in de kinderboeken en –tijdschriften. Van begrip voor andere culturen was nog lang geen sprake, laat staan van gelijkheid. De Negerhut van Oom Tom verscheen kort na verschijnen al in een Nederlandse vertaling (1852) en een jaar daarop in een versie voor kinderen. Nederland schafte de slavernij tenslotte af op 1 juli 1863.   * KOKARDE. Patriotten en Oranjeklanten op weg naar 1813/1815 verschijnt oktober 2012 bij uitgeverij Unieboek/Het Spectrum. Omvang ca 350 blz. Prijs € 29,99. ISBN 978 90 00 31514 7 NUR 680
Geschreven door Vincent op 2012-10-03 13:35:06.