In zijn blijspel You Never Can Tell voert George Bernard Shaw een ober ten tonele die zijn gasten aanraadt Schopenhauer te lezen, aangezien deze zo interessante uitspraken over de vrouw doet. Hij, de kelner, is bij lange na de enige niet die van de Duitse wijsgeer slechts deze teksten kent.
Ze zijn te vinden in Schopenhauers mengelwerk Parerga und Paralipomena, deel 4, hoofdstuk XXVII: Über die Weiber.

Vrouwen zijn volgens onze filosoof schepsels klein van stuk, hebben smalle schouders, brede heupen en korte benen. Hen betitelen als ‘het schone geslacht’ kan alleen maar worden toegeschreven aan een voorbijgaande verstandsverbijstering, het gevolg van de mannelijke geslachtsdrift. Noch voor muziek, noch voor poëzie, noch voor de beeldende kunsten bezit das Weib begrip en gevoel; simuleert zij het tegendeel, dan is louter sprake van na-apen ter wille van haar behaagzucht. Geen vrouw heeft op het gebied van de kunsten de wereld verrijkt met iets groots, iets echts, iets oorspronkelijks. De Ouden en de oosterse volkeren, die de vrouw op een ondergeschikte positie plaatsten, hadden het bij het rechte eind, veeleer dan wij met onze oud-Franse hoffelijkheid en zouteloze christelijk-Germaanse verering, welke haar zo arrogant en meedogenloos hebben gemaakt dat men soms denkt aan de heilige apen van Benares, die, zich bewust van hun heiligheid en onaantastbaarheid, menen dat zij zich alles kunnen veroorloven.
De zogenaamde Europese dame is een wezen dat helemaal niet dient te bestaan; huisvrouwen moeten er zijn en meisjes die hopen het ooit te worden en daarom niet tot verwatenheid doch tot huiselijkheid en onderdanigheid worden opgevoed. De vrouw is immers krachtens haar aard voorbestemd om te gehoorzamen. Monogamie is een dwaalleer; wat we nodig hebben, is polygamie, want deze is beter zowel voor das Weib als voor de man. En o ja, vrouwen behoren geen vermogensbestanddelen te erven (dat hebben zelfs de Hottentotten gesnapt), want dat geld jagen zij er toch maar door met aanbidders.
Als bewijs voor zijn stellingen voert Schopenhauer het volgende aan: indien een vrouw terecht komt in de voor haar onnatuurlijke situatie van volkomen onafhankelijkheid, verbindt zij zich weldra aan een man, door wie zij zich laat sturen en beheersen, nademaal zij een meester nodig heeft. Is zij jong, dan wordt het een minnaar. Is zij oud, dan een biechtvader.

Ik houd niet op mij te verbazen over het feit dat een zo intelligente man als Arthur Schopenhauer zulk baarlijke nonsens te berde kon brengen. Wilde hij zich wreken op vrouwen wegens de gestoorde verhouding met zijn moeder; wegens zijn mislukte relatie met een jonge operazangeres; op het piepjonge meisje dat hem versmaadde? Of wilde hij slechts lol trappen? Provoceren?

Gelukkig is er voor u, vertwijfeld als u waarschijnlijk bent na het lezen van al dit fraais, heuglijk nieuws. Bent u klaar met het leven? Wilt u eruit stappen? Kunt u het allemaal niet meer aan? Ziet u het niet meer zitten? En heeft u in uw kluisje nog het dodelijk poeder van de Coöperatie Laatste Wil, bij gebrek aan tijd om het door de zuurkoolstamp van schoonmoeder te mengen? Neem het dan niet in! Schopenhauer steekt u een hart onder de riem met zijn woorden: ‘Er is maar één aangeboren dwaling en die beweert dat wij op aarde zijn om gelukkig te wezen.’

(w v)

Geschreven door Grijsaard Henk op 05-03-2018.