Boekennieuws.

Nieuws, reportages en achtergronden uit de wereld van het boek

column

Tucholsky: ‘De mens’

Door Grijsaard Henk

NOOT. Kurt Tucholsky werd in 1890 te Berlijn geboren in het gezin van een joodse bankier. Hij zal in zijn jonge jaren de bloemen wel eens buiten hebben gezet (van vaders centen), maar hij nam zijn studie in de rechtswetenschap serieus. Hij sloot die af met een promotie, die zelfs werd bekroond met het cum laude. Zijn ware passie waren echter niet de wetsteksten doch de schone letteren. Als redacteur van het weekblad Die Weltbühne kon hij de registers van zijn satirisch talent voluit opentrekken, niet slechts onder zijn eigen naam maar ook onder vier pseudoniemen (Peter Panter, Theobald Tiger, Kaspar Hauser en Ignaz Wrobel).
Zijn tijd aan het oostfront maakte hem tot een strijdbaar pacifist. Hij was ook fel antinazi. Hoewel hij zich luthers had laten dopen, verboden de nazi’s dat hij werd uitgegeven, verbrandden zijn boeken in het openbaar en verklaarden zijn staatsburgerschap vervallen.
Tucholsky woonde jaren in Parijs, laatstelijk in Zweden, waar hij, pas 45 jaar oud, is gestorven en begraven. Een wijd verbreid verhaal wil dat hij zich van het leven heeft beroofd met slaappillen, maar volgens zijn biograaf was van zelfmoord geen sprake, het zou om een ongeluk zijn gegaan.
Zijn collega Erich Kästner heeft hem, heel geestig, gekenschetst als ‘een kleine, dikke Berlijner, die met zijn schrijfmachine trachtte een catastrofe te voorkomen’.
Het volgende opstel stamt uit 1931.

DE MENS
De mens heeft twee benen en twee overtuigingen: een wanneer het hem goed gaat, en een wanneer het hem slecht gaat. Deze laatste heet godsdienst.
De mens is een werveldier en heeft een onsterflijke ziel, om te voorkomen dat hij te driest wordt.
De mens wordt langs natuurlijke weg voortgebracht, doch ervaart dit als onnatuurlijk en spreekt er niet graag over. Hij wordt gemaakt, hem wordt echter niet gevraagd of hij ook gemaakt wilde worden.
De mens is een nuttig wezen, aangezien hij ertoe dient door zijn dood als soldaat de olieaandelen omhoog te jagen en door zijn dood als kompel de winst van de eigenaars der mijnen te vermeerderen, alsook kunst, cultuur en wetenschap.
De mens heeft behalve de drift tot voortplanting en die tot eten en drinken twee hartstochten: lawaai maken en niet luisteren. Men kan de mens zelfs definiëren als een wezen dat nimmer luistert. Als hij verstandig is, houdt hij zich daaraan, want iets intelligents krijgt hij slechts zelden te horen. Zeer graag horen mensen beloften, vleierij, erkenning en complimenten. Bij vleierij verdient het aanbeveling drie gradaties grover te werk te gaan als men nog krap voor mogelijk houdt.
De mens gunt zijn soortgenoten niets, daarom heeft hij de wetten uitgevonden. Hij mag niet, derhalve de anderen ook niet.
Om van een mens op aan te kunnen, doet men er goed aan op hem te gaan zitten; men kan er dan althans van uitgaan dat hij intussen niet wegloopt. Velen vestigen ook hun hoop op het karakter.
De mensheid valt uiteen in twee delen: een mannelijk dat niet denken wil, en een vrouwelijk dat niet denken kan. Beide bezitten zogenaamde gevoelens; deze brengt men het zekerst in het geweer, doordat men bepaalde zenuwknopen van het organisme stimuleert. In dergelijke gevallen scheiden veel mensen poëzie af.
De mens is een planten- en vleesetend wezen; op expedities naar de Noordpool vreet hij hier en daar ook exemplaren van zijn eigen soort op; maar dat wordt door het fascisme weer gecompenseerd.
De mens is een politiek schepsel, dat het liefst tot kluiten samengebald zijn leven doorbrengt. Elke kluit haat de andere kluiten, omdat zij de andere zijn, en de eigen kluiten, omdat zij de eigen zijn. Laatstgenoemde haat noemt men patriotisme.
Ieder mens heeft een lever, een milt, een long en een vlag; al deze vier zijn van vitaal belang. Er schijnen mensen zonder lever, zonder milt of met slechts een halve long te zijn; mensen zonder vlag bestaan niet.
Zwakke prestaties op het gebied van de voortplanting krikt de mens graag op; daartoe beschikt hij over verschillende middelen, als daar zijn: het stierenvechten, de criminaliteit, de sport en de rechtsbedeling.
Mensen onder elkaar zijn er niet. Er zijn slechts mensen die heersen, en zij die beheerst willen worden. Echter, nog niemand heeft zichzelf beheerst; de dwarsliggende slaaf is namelijk altijd machtiger dan de regeringsgeile heer. Ieder mens is inferieur aan zichzelf.
Wanneer de mens voelt dat hij niets meer bij te zetten heeft, wordt hij vroom en wijs; hij versmaadt dan de zure druiven der wereld. Dit noemt men innerlijke inkeer. De diverse leeftijdsklassen van de mens zien elkaar aan als verschillende rassen: ouderen hebben gewoonlijk vergeten dat zij jong zijn geweest of zij vergeten dat zij oud zijn, jongeren zien nooit in dat zij oud kunnen worden.
De mens sterft niet graag, omdat hij niet weet wat hem daarna te wachten staat. Indien hij zich inbeeldt dat hij het wel weet, dan wil hij ook niet graag, hij wil nog een tijdje op de oude voet verder. ‘Een tijdje’ betekent hier: eeuwig.
Voor de rest is de mens een wezen dat klopt, slechte muziek maakt en zijn hond laat blaffen. Vaak ook straalt hij rust uit, maar dan is hij dood.
Behalve mensen zijn er nog Saksen en Amerikanen, maar die hebben we nog niet gehad. Dierkunde krijgen we pas volgend jaar

Geschreven door Grijsaard Henk op 26-09-2017.

Reacties op "Tucholsky: ‘De mens’"