Een regenachtige dag in Amsterdam. Ik loop café Fonteyn binnen, waar ik om 14.00 met Thomas Heerma van Voss (De Allestafel, Stern) heb afgesproken. Een kleine tien minuten later stapt hij het café binnen. Hij heeft een appel in zijn mond, mompelt wat verontschuldigende woorden, loopt naar buiten om de appel weg te gooien en gaat zitten.  Een interview over  schrijven, de nieuwe Reve en literatuur op school.

heermavanvos_4

Om maar meteen met de deur in huis te vallen, waar heb je het idee voor Stern vandaan gehaald?

‘Het idee ontstond geleidelijk en onbewust. Op mijn achttiende schreef ik mijn debuutroman, De Allestafel. Dat was een boek waarover ik van tevoren nauwelijks had nagedacht, het kwam er haast gedachteloos uit, als een lange zucht.

Toen mijn manuscript af was, stuurde ik het naar één uitgeverij op en vervolgens verhuisde ik tijdelijk naar Londen. Daar kreeg ik les van een docent die voortdurend vreemde, seksistische grappen maakte. Op zich niet heel interessant, maar mijn aandacht werd toch gegrepen omdat de man telkens het platte en oninteressante van zijn grappen meteen door leek te hebben. Zodra hij een grap maakte, kwam de schaamte op, soms sloeg hij zelfs zijn hand voor zijn mond. Van die figuur is uiteindelijk niets in Stern terecht gekomen, maar toch: vanaf dat moment wist ik wel dat ik over een leraar zou schrijven, dat schaamte een van de pijlers van de roman zou worden. Daarna is Stern op geleidelijke wijze gegroeid vanuit losse ideeën en settings, zoals Londen, Amsterdam en Seoel tot een volwaardige roman.’

 

Grappig dat je het hebt over de leraar, want net zoals bij De Allestafel gaat Stern over een personage dat veel ouder is dan jij. Wat is het idee geweest om zo’n personage te creëren?

‘Bij De Allestafel is het hoofdpersonage dertig, maar geestelijk gezien was hij nog een jongen. Als ik hem als vierentwintigjarige had beschreven was het ook nog geloofwaardig geweest, dus qua leeftijd stond hij niet ver van mij af – ja, hij was ouder, maar het was geen totaal onbekende wereld. Bij Stern is het hoofdpersonage voelbaar veel ouder dan ikzelf ben. Om een afschuwelijk woord te gebruiken: dat leek me een uitdaging. Ik wilde een personage die al veel had meegemaakt, en bovendien schrijven al genoeg jongeren over twintigers, en ik kreeg niet het idee dat ik daar nu een interessant verhaal aan toe te voegen had.’

 

Tijdens het lezen had ik het idee bij enkele dialogen, voornamelijk bij die van Hugo Stern, dat ze wat kinderlijk overkwamen, dat het niet de manier is waarop volwassenen met elkaar praten.

‘Ik heb ook geen dialogen geschreven waarbij ik dacht: “Dit is typisch de manier waarop volwassenen praten”, voor zover daarvoor überhaupt één manier aan te wijzen is. In de recensie in de Volkskrant, geschreven door Daniëlle Serdijn, stond iets zinnigs daarover: wegens de min of meer ongewijzigde manier waarop Hugo Stern praat voor en nadat hij in Londen is geweest, kun je opmaken dat hij niet wezenlijk verandert. Hij is een kind, het hele boek door. Daarom past de manier waarop hij praat zo goed bij hem.’

 

In die recensie werd ook een vergelijking gemaakt met Gerard Reve, ikzelf had meer associaties met Hermans of Grunberg; de absurde ondertoon, de vreemde details… Hoe sta jij daar tegenover?

‘Waar ik in ieder geval blij mee ben, was dat...

Mijn debuut was een eerste aanzet tot een verhaal, en die beviel zo goed dat het uitgroeide tot iets groters

er geen uitspraak werd gedaan in de trant van “Dit is de nieuwe…”. Dat zijn zinnen waarvoor ik huiver, altijd, welke vergelijkingen er ook wordt getrokken. In de recensie werd de vergeefsheid van Stern gekoppeld aan Reves werk – een associatie die ik begrijp, maar het zou niet de eerste zijn die bij mij opkwam. Ach, ik vind het hoe dan ook een compliment.’

 

Tirza kwam ook in me op tijdens het lezen van Stern. Is dat een boek dat invloed op je heeft gehad?

‘Het was één van de eerste romans die me werkelijk raakte. Maar: twee andere werken die in diezelfde tijd misschien nog wel meer indruk op mij maakten waren Nooit meer slapen van Hermans en Kaas van Elsschot. Wat betreft de vergelijking tussen Stern en Tirza denk ik dat het meer uiterlijke overeenkomsten zijn, zoals de buurt, de dwangmatigheden, het strak geregelde gezinsleven. Inhoudelijk zijn het twee fundamenteel verschillende verhalen.’

 

Op je negentiende debuteerde je met De Allestafel. Beschouw je jezelf als een ‘echte’ schrijver, of zijn het meer ideeën die je kwijt moet?

‘Allereerst, ik ben angstig voor de term “echte schrijver” en ik voel me nog steeds niet helemaal op mijn gemak als mensen me met het woord “schrijver” aanspreken. Ik bedoel, is iemand columnist nadat hij twee columns heeft geschreven? Het is een modewoord, ik kom het teveel tegen. Verder: je hoort vaak bij “echte schrijvers” dat ze sinds hun elfde schrijven, bij mij was dat niet het geval. Op mijn achttiende schreef ik af en toe iets, maar zelden fictie. Mijn debuut was een eerste aanzet tot een verhaal, en die beviel zo goed dat het uitgroeide tot iets groters.’ 

Stern is erg goed ontvangen: vier sterren in het Parool, de Volkskrant, het NRC, lovende stukken in onder meer Vrij Nederland en het Noord-Hollands Dagblad; als je kon kiezen, zou je dan liever met Stern gedebuteerd hebben of toch met De Allestafel?

‘Ik ben tevreden met hoe het nu is gegaan. Ik vind Stern een rijker boek dan De allestafel, maar het idee dat een debuut meteen een gerijpt meesterwerk moet zijn, vind ik ook een beetje onzinnig. Ik zie De Allestafel eerder als een kleine kennismaking, als een vingeroefening. Nu ben ik – hopelijk – verder.’

 

Hoe zie jij jezelf in het literatuurlandschap?

‘Geen idee.’

 

Je had natuurlijk de Grote Drie en men wil altijd een schrijver categoriseren. Grunberg bijvoorbeeld wordt de nieuwe Reve genoemd. Volgens mij valt daar niet echt aan te ontsnappen.

‘Is dat zo? Er zijn al tientallen mensen de nieuwe Mulisch of Reve genoemd nadat ze één goed of succesvol boek hadden geschreven, en van wie we tegenwoordig nooit meers iets horen. Achteraf mogen mensen zulke etiketten opplakken, maar het moet niet te gehaast, niet te snel. Over tachtig jaar mogen mensen, als ze daar behoefte aan hebben, wel zeggen welke rol ik speelde. En hoe ik mezelf nu zie… Daar houd ik me niet erg veel mee bezig. Maar, om toch een poging tot een antwoord te doen: ik ga nu vier jaar mee en ben nog steeds een van de jongste schrijvers die hier rondlopen. Dat voelt soms gek – soms lees of hoor ik dat ik onderdeel ben van een nieuwe lichting, wat dat ook mag betekenen, maar die mensen zijn minstens vijf jaar ouder dan ikzelf. Aan de andere kant: dat gedoe over leeftijden hoeft van mij sowieso niet. Lees de boeken, beoordeel wat er staat. De rest is toch allemaal flauwekul.’

 

Geschreven door Vincent op 29-05-2013.